-
63. Wie ben ik?

OVER IDENTITEIT
Van de week hield één van de gezinsleden een oud kledingstuk omhoog en ik vroeg: “Doe je dat nog aan?”. Antwoord: “Nee, dat is toch niet meer wie ik ben?!”
Ik moest daar toch even over denken, ik had altijd het idee dat identiteit iets is dat je je leven lang meedraagt. In de bureaucratische wereld wordt ieders naam en voornamen, geboorteplaats en -datum gekoppeld aan een bepaald lichaam, waarvan de vingerafdruk tegenwoordig wordt vastgelegd, alles oproepbaar via het BurgerServiceNummer. En, ja, er zijn veranderingen die je op je achtereenvolgende paspoorten kunt waarnemen zoals je veranderende gezicht, misschien ben je wat gekrompen en je kunt ook een geslachtswijziging hebben ondergaan. Maar je blijft toch dezelfde persoon voor de overheid.
Ik vroeg me af of ik van mezelf kan zeggen dat er altijd maar één en dezelfde Jan is geweest. En wat de wetenschap over identiteitsveranderingen zegt. En dan hebben we het over een sociale identiteit, hoe sta je in de maatschappij, in je omgeving.
Om met dat laatste te beginnen. Volgens de Belgische psycholoog Paul Verhaege is onze identiteit “geen diep verborgen, onveranderlijke kern, integendeel. Ze is veeleer een verzameling van ideeën die de buitenwereld op ons lijf geschreven heeft. We krijgen van alles voorgeleefd en leven daarnaar.“ 1)
Je identiteit wordt dus gevormd door de beelden die je hebt over jezelf in relatie tot de buitenwereld en de wijze waarop je invulling aan die relatie geeft. En dat kan in de loop van je leven veranderen. De schrijfster Marjon Bloem laat zien 2) dat verhuizen naar een ander land met een andere cultuur ook identiteitsvragen en -veranderingen met zich kan meebrengen. En de Grieken vroegen zich vergelijkenderwijs al af of een schip waarvan je geleidelijk alle onderdelen hebt veranderd nog steeds hetzelfde schip is, waarop Plato dan op de proppen kwam met een onveranderlijke ziel.
Misschien één van mijn eerste herinneringen gaat over het einde van het eerste schooljaar op de lagere school. Op de laatste schooldag komt de bovenmeester langs en reikt een prijs uit aan de beste leerling. Mijn broer, drie klassen hoger, kreeg altijd een prijs, dus dacht ik dat ik er ook wel een zou krijgen, ik was vast wel de beste van de klas en misschien ook wel de braafste. Maar voordat hij de naam van de gelukkige zou uitspreken zag ik al aan de stand van zijn lippen dat het niet “Jan” zou worden. Hij ging een fout ging maken dacht ik. Maar het was geen fout. Het was echt de bedoeling dat ene “Jos” (het was Jos Boekholt) de prijs zou krijgen.
Ik heb mij daarna niet meer zo bezig gehouden met prijzen. Maar bij ons thuis werden de schoolprestaties denk ik erg belangrijk gevonden. Mijn broer en ik zaten op dezelfde middelbare school, hij op het Gymnasium en ik op de HBS. Mij staat bij dat mijn broer ook toen nog veel prijzen kreeg. Over die prijzen zelf was ik niet jaloers; de laatste die mijn broer kreeg was: “Maria in mijn leven”. Daar zou ik echt niet harder voor gaan leren. Ik denk dat bij mijn identiteitsbeeld slimheid nog steeds wel een belangrijke factor was, maar ik ging er wel van uit dat mijn broer toch beter was.
Een half leven later was het eigenlijk nog steeds zo dat slimheid, uitmondend in het brengen van ideeën en misschien ook wel eigenzinnige betweterigheid, voor mijzelf een hoofdrol speelde. Als een beoordelingsformulier in de algemene beschrijving begon met: “Jan Koet is een aardige man” dacht ik meteen: maar daar gaat het toch niet om?! Maar ondertussen, in al die jaren, is mij wel duidelijk geworden hoezeer ik, in mijn eigenwijsheid, toch gewaardeerd wil worden en erbij wil horen.
Vanaf mijn 50e belandde ik in adviesrollen en heb ik kleinere projecten gedaan, nadat mij duidelijk was geworden dat ik het beste tot mijn recht kom in kleinere settings en zeker niet in de eerste plaats als “baas”. In de jaren daarvoor deed ik grote projecten waar soms honderden mensen aan werkten en heb ik een paar jaar leiding gegeven aan kantoren met 200 tot 300 medewerkers. En in die positie verloor ik vaak het contact met de groep en met mezelf, enerzijds in te grote dadendrang bij wind mee en anderzijds met een neiging om me terug te trekken bij tegenwind en tegenspraak. Mijn identiteit verschoof van manager naar adviseur, van iemand die ergens boven staat naar collega.
De overgang van grote projecten met meer afstand naar kleinschaliger werk in menselijke maat liep parallel met de overgang van Part I van mijn privéleven naar Part II, waarover ik eerder schreef. En in dat tweede deel van mijn leven kregen de contacten die ik had meer diepgang, zo ervaar ik dat althans, en doe ik dingen die beter bij me passen, zoals het samen met een mede-zanger van het koor organiseren van kleinschalige concerten met een meditatief tintje, meer tijd voor gezin en vrienden en schrijf ik stukjes als deze die over het leven gaan.
Pas geleden kreeg mijn identiteitsbeeld weer even een duwtje. Ik kwam video-opnames tegen die waren gemaakt bij mijn afscheid van de Belastingdienst en schrok van wat daar over me werd gezegd: eigengereid, drammerig, onbegrijpelijke standpunten, Einzelgänger en ik zou een “eigen agenda” gehad hebben. Ik dacht: hadden jullie dat nou niet wat positiever kunnen zeggen? Ik wist best dat zo’n afscheid de uitgelezen gelegenheid is om iemand achteraf een spiegel voor te houden, en dat dit het laatste rapport was dat ik bij leven zou krijgen, waar dan best wat relativering in mag zitten. Maar ik vond het niet zo leuk en vertelde dat aan mijn huisgenoten. Gelukkig zei één van mijn kinderen, die ook bij dat afscheid aanwezig waren: “Maar papa, het was wel duidelijk dat ze van je houden”. En toen had ik weer vrede met mijn identiteit.
__________________
- Paul Verhaeghe. Identiteit (2014)
- Onder meer in Marjon Bloem. Indo (2020)
O O O O O O O O O O O
Fotocompilatie: Jan
Reacties zijn van harte welkom; openbare reacties kun je hieronder plaatsen; reacties naar Jan kun je sturen naar koetjwm@gmail.com.
Op http://dewereldenvanjan.blog kun je je aanmelden voor wekelijkse toezending; je kunt daar ook alle voorgaande berichten bekijken.
-
62. Schrijfzin

OVER HET PLEZIER IN HET SCHRIJVEN
Het zou geen werkvakantie worden in juli, want de eerste vier blogjes van De Werelden van Jan .. en alleman die na de zomer moesten verschijnen waren immers al klaar, maar omdat we niet van die uitstapjes-mensen zijn en je ook niet de hele dag kunt doorbrengen met Ilja Leonard Pfeiffer (zijn bombastische beschrijvingen in het overigens fantastische La Superba 1) gaan soms over niets, althans lijken geen deel uit te maken van een verhaal, maar eerder een opvulling, een terzijde, waarbij het me al twee keer is gebeurd dat ik bij zo’n passage, die soms wel vier pagina’s in beslag neemt, in slaap ben gevallen, maar ik zal het wel niet helemaal begrepen hebben) en mijn geliefde en ik enkele weken daarvóór de documentaire The Social Dilemma 2) hadden gezien over de ellende die social media veroorzaken, waarbij we moesten constateren, althans dat deed mijn geliefde, dat wij, althans ik, behoorlijk verslaafd waren aan die media, dacht ik: ik ga misschien toch maar gewoon een uurtje schrijven, gewoon omdat het leuk is en ik in die tijd geen gelegenheid heb om het hele rijtje social media achtereenvolgens te bezoeken, een gedachte die denk ik geïnspireerd werd door een interview in de Volkskrant met “Joe Speedboat” Tommy Wieringa die daarin uitgebreid vertelde over zijn nieuwe boek 3) , dat al in 2013 in zijn hoofd was ontstaan, en dat hij dan geniet van het schrijven en daarbij dan hoopt dat het boek nooit af zal zijn, want dan is het niet meer “zijn boek” en dat hij misschien alleen al daarom het nieuwste boek twee maal heeft herschreven en nu hij het boek inspreekt om ook te worden uitgegeven als luisterboek alweer heeft gezien op welke punten het in een volgende editie moet worden aangepast, hetgeen mij deed realiseren dat ik mijzelf, mede door de verwachtingen die vanuit het verleden zullen zijn opgebouwd toen ik een jaar lang elke week een bericht het licht deed zien, een bepaalde productiedwang heb opgelegd die het risico in zich draagt dat het plezier van het schrijven wordt verdrongen door een gevoel van onrust, haast en gejaagdheid die zelfs contraproductief zou kunnen uitpakken, hoewel die nadelen dan gecompenseerd lijken te worden door de beloning elke week die hoort bij het iets te hebben afgerond en op de mat gelegd, een gevoel dat wordt versterkt door een enkele ‘like’ of geschreven reactie, waarmee we weer terug zijn bij de mechanismen van de social media, die groot geworden zijn doordat ze mensen verslaafd hebben gemaakt aan die hoogfrequente dopamine-stootjes die er elke keer voor zorgen dat op wat voor manier dan ook een bevestiging wordt gegeven van eenieders bestaan als deel van deze maatschappij.
Hier laat ik het vandaag even bij.
PS Ik denk nu al met plezier over het schrijven van stukjes over het denken en fouten daarin, over aandacht en bewustzijn van Jan en alleman, over trots en over het verenigingsleven en met titels als Wie ben ik, Het kindje van rapper Khalifa, Van een zaag houden, Applaus voor jezelf en Het Grote Genieten en dan heb ik zo tegen Oud en Nieuw ongelooflijk veel wensen en tips voor het nieuwe jaar.
________________________
1) Ilja Leonard Pfeiffer. La Superba: een roman. 2013
2) The Socila Dilemma. Netflix-documentaire. 2020. Ook op Youtube.
3) Tommy Wieringa. Nirwana. 2023
O O O O O O O O O O O
Reacties zijn van harte welkom; openbare reacties kun je hieronder plaatsen; reacties naar Jan kun je sturen naar koetjwm@gmail.com.
Op http://dewereldenvanjan.blog kun je je aanmelden voor wekelijkse toezending; je kunt daar ook alle voorgaande berichten bekijken.
-
61. Met het vliegtuig

OVER HET GEMAK VAN NIEUWE DINGEN
Het is natuurlijk de gewoonste zaak van de wereld, dat vliegen. Er zit wel een luchtje aan, maar dat is niet het onderwerp van dit bericht. Het gaat over mijn houding tegenover spullen, faciliteiten en diensten die mij persoonlijke gemak beloven en ik dacht altijd dat ik tot de groep behoorde die vernieuwingen snel oppakt. Mijn ervaringen afgelopen week met een vakantievlucht naar Portugal die ik zo zal delen brachten mij bij de vraag of ik eigenlijk ooit wel een “early adopter” ben geweest. Die term komt van Everett Rodgers 1) die keek naar de levensloop van een product en wat voor klanten daar dan gebruik van maken in de levenscyclus van zo’n product. Hij onderscheidt vijf groepen die achtereenvolgens het product willen hebben: de innovators, de early adopters, de early majority, de late majority en de laggards (achterblijvers).
Muziek
Ik ga even heel ver terug. Een middelbare school-vriendje, we waren allebei 14 jaar denk ik, kwam met het idee om een kristalradio te maken. We kochten spullen bij Aurora in de Vijzelstraat in Amsterdam en betaalden elk 12 gulden. Met wat solderen en een oortelefoontje eraan hadden we allebei een eigen radio met een tekendoos als behuizing. En ik was snel met achtereenvolgens een echte radio, een stereo-platenspeler, een viersporen-bandrecorder en een cassetterecorder. Alles voor de muziek natuurlijk.
Gemak opgedrongen
Op mijn werk ben ik heel veel met automatisering bezig geweest. Maar niet in het persoonlijk gebruik. Ik werd programmamanager digitale dienst, maar toen dat met een grote vergadering van start ging was ik de enige inleider die het nog met sheets en een overheadprojector deed, terwijl al die anderen gladde Powerpoint-presentaties lieten zien. Ik vond dat maar niks, keek er ook een beetje op neer, maar moest er voor het vervolg toch aan geloven. En ik denk nu, achteraf, dat ik daar geen goede beurt heb gemaakt. Een mobiele telefoon werd mij ook min of meer opgedrongen: “Je bent niet goed bereikbaar”, zei de secretaresse, “hier is een mobiele telefoon”. Ik was niet echt bezig met vernieuwing van de kantoorfuncties en mijn eigen gebruik daarvan.
In de 15 jaar daarna werd al het werk op kantoor met de computer gedaan en kon ik ook van huis uit werken met intensief telefoon- en mailcontact met kantoor. Maar dat was ook gewoon noodgedwongen. En nu gebruik ik social media en heb ik al mijn gegevens in de “cloud”, bereikbaar via laptop, desktop en telefoon. Maar ik merk wel dat ik er steeds minder goed tegen kan als er iets mis gaat, als ik de weg kwijt raak, met paniek als ik denk dat ik belangrijke gegevens of het werk van de afgelopen uren kwijt heb gemaakt, etc. Gelukkig heeft mijn zoon meestal de problemen binnen 2 seconden opgelost waar ik uren mee heb gezeten.
Papierwerk
En nou dat vliegen. We zijn heen gevlogen met Transavia en terug gaan we met Easyjet. Allebei de maatschappijen hebben verschillende spelregels voor de bagage. We (mijn geliefde en ik) zijn wel uren bezig geweest om dat precies uit te zoeken, vooral omdat je soms twee stuks handbagage mee mag nemen zonder bijbetaling, maar dat zou dan weer afhangen van de plaats in het vliegtuig, je stoelnummer dus. We hadden van alles geregeld, maar toen kregen we de mededeling dat er een ander vliegtuigtype zou worden gebruikt, konden we weer opnieuw beginnen.
Wat fijn, dacht ik, we kunnen al tevoren inchecken en een boardingpass produceren. Ik heb uren gezocht naar mijn ticket om die uit te printen. Ik werd ook hiervan helemaal radeloos. Maar dat bleek dus uiteindelijk helemaal niet meer nodig. Je hoeft alleen maar met de boardingpass op je telefoon of geprint naar het vliegveld. Het is mij niet gelukt de boardingpass netjes op mijn telefoon te krijgen, dus we zijn met vier prints op stap gegaan.
Ruimbagage
Het volgende was op Schiphol, het afleveren van de ruimbagage. Er stonden tientallen gelegenheden om dat zelf te regelen, de Selfservice bagage drop-offs. Wij passeerden ze snel, want ik had dat nog nooit gedaan en er is bij mij een soort afhouden: ik word al zenuwachtig als ik ernaar kijk. Van nieuwsgierigheid die de mens zover heeft gebracht als waar we nu zijn merk ik dan even niets. Bovendien deed die rij drop-off plaatsen naast elkaar me denken aan een urinoir, waar iedereen kan zien wat je aan het doen bent en hoe lang je er over doet. Maar bij de handmatige incheck- en afgifte balie stonden zestig mensen die moesten worden geholpen door één medewerkster. Wij lieten ons toen snel overtuigen door een dame die ons op dwingende wijze wees op de door ons eerder afgewezen gelegenheden waar we zelf die koffer kwijt konden. En dat hebben we voor elkaar gekregen in vijf helder omschreven stappen.
Goede manieren
En toen de veiligheidscontroles. Bekend werk, alles moest op de lopende band worden gelegd: truien, tassen, computer en telefoon. En ik moest mijn riem afdoen. Maar anders dan ik gewend was moest ik die in mijn hand houden. Ik liep naar het poortje van de bodyscan en de vrouwelijke beveiligingsmedewerker daar stak haar hand uit en ik gaf haar direct de mijne, die zij accepteerde maar meteen ook maakte ze me duidelijk dat zij niet mijn hand wilde hebben maar mijn riem. Nadat ze me in een juiste positie voor de scan had geplaatst en daarna gefouilleerd, kreeg ik mijn riem terug en gaf ik haar ten afscheid weer een hand, die zij wederom accepteerde. Goed gemanierd personeel daar. Aan het eind van de loopband werd mijn laptop gecontroleerd en de controleur gaf hem na controle terug met een “Goede reis”. Ik zei “Van hetzelfde”, maar dat was wel een slip of the tongue, die ons beiden toch nog een glimlach bezorgde. En dat waren bij het hele proces de enige menselijke contacten. En meteen ook het leukste deel ervan.
Achter aansluiten
Ik moet dus bekennen dat ik helemaal geen early adopter ben en zeker geen innovator, die een hele nacht in de rij staat om de volgende dag als eerste een nieuwe iPhone-versie te krijgen. Ik zou bijna zeggen: laat mij maar lekker met rust met je nieuwste spulletjes en als ik het echt nodig heb sluit ik me wel aan bij de rij achterblijvers.
_____________
1) Rogers, E. M.. Diffusion of innovations (1e druk 1962)
O O O O O O O O O O O
Foto: Jan vanuit vliegtuig op taxibaan Schiphol
Reacties zijn van harte welkom; openbare reacties kun je hieronder plaatsen; reacties naar Jan kun je sturen naar koetjwm@gmail.com.
Op http://dewereldenvanjan.blog kun je je aanmelden voor wekelijkse toezending; je kunt daar ook alle voorgaande berichten bekijken.
-
60. Wat we bereikt hebben (Santiago III)

OVER DIE MANNEN DIE NAAR SANTIAGO DE COMPOSTELA GINGEN
De allereerste avond van onze reis waren we in Winssum. Tevreden na die eerste etappe hebben we lekker gegeten met een biertje erbij en toen gingen we ook nog biljarten. Dat heb ik vroeger veel gedaan, bijvoorbeeld met klasgenoten op de middelbare school als we geen zin hadden in de laatste uren in de middag. Evert had heel weinig ervaring in het met een stuk hout tegen een biljartbal aan stoten. Maar hij heeft toen moe, met drank op en nauwelijks ervaring wel een serie van negen caramboles 1) gemaakt, iets dat mij in al die jaren niet was gelukt. Ik heb dat nog wel heel vaak moeten horen. Een stukje competitie waarin ik dus de verliezer was.
Meer competitie
Boeddha Evert liep in een zodanig tempo dat ik hem altijd wel in het vizier had. De volgorde was in de regel: Evert, flink stuk daarachter Boeddha-Evert en ik niet ver daarachter.
Evert liep vooral klimmend en op het vlakke sneller. In de afdaling kwam ik op stoom, mede omdat ik me op wat steilere weggetjes gewoon niet afrem, zonde van de snelheid. En als ik dan een keer aan het eind van de dag of op onze afgesproken rustplek als eerste aankwam voelde dat voor mij als een grote overwinning en was ik vervuld van trots.
Het was ook een spelletje. Er was een keer een korte afdaling gevolgd door een korte klim. Vóór de afdaling verraste ik Evert met een versnelling en ik kreeg snel 20 meter te pakken. Bij het stijgen wist ik dat Evert zou inlopen. Een dampende en briesende stoommachine hoorde ik achter mij steeds dichterbij komen, ik liet hem tot een meter of vier bij me komen, waarop ik, notabene in een stijging, ging versnellen en weer wat op hem uitliep. Evert kwam nog een keer dichterbij en ik kon nog een keer versnellen en toen waren we boven en bleef ik doorgaan in een hoog tempo. Een half uur later ging ik rusten en toen duurde het nog zeker tien minuten voordat de twee Everts zich bij mij voegden.
Voorop of in de lucht
Het moet vaker zijn gebeurd dat ik vooraan liep, want Boeddha-Evert schreef in zijn aantekenboekje: “Met trots, gepast of ongepast, meldde Jan dat zijn laatste vijf kilometers in 51 minuten gingen. Hij heeft beste loopdagen, gisteren en vandaag. Met soepele tred veert hij voor ons uit nu hij zijn vorm gevonden heeft.”
Ook vertelde Evert een keer dat hij mij een stukje boven de grond had zien lopen. Ik vertelde op de tweede wandeldag, toen we van Winssum naar Pieterburen liepen, dat ik, al wandelend, van 10 tot half elf mij meditatief zou verbinden met mijn meditatievrienden, want dat deden we toen elke zondagochtend. En na afloop kreeg ik die reactie van Evert, terwijl ik toch echt bij elke stap één voet op de grond had!
Communicatie
Sinds Boeddha Evert zich bij ons had gevoegd, is het nooit meer gebeurd dat we elkaar kwijt waren. Op de een of andere manier waren we steeds bij elkaar of hadden we duidelijke afspraken gemaakt over waar we elkaar weer zouden treffen. Maar de laatste dag dat we samen liepen ging het toch niet helemaal goed. Het zou de tocht zijn waar we de Pyreneeën over zouden steken naar het Spaanse Roncesvalles en dan zouden we weer huiswaarts gaan.
We startten die ochtend vanuit Refuge Orisson op 780 meter hoogte en moesten om Roncesvalles te bereiken over de 1338 meter hoge Col de Bentarte. De dag ervoor hadden we vanuit Saint-Jean-Pied-de Port het eerste deel van de klim, bijna 600 meter, al gedaan. Het miezerde een beetje en het zicht was slecht en na 10 minuten lopen was ik de twee Everts dus uit het oog verloren. Gewoon doorlopen dan maar. Maar naarmate we hoger kwamen nam de wind toe en viel de regen niet meer recht naar beneden maar ze werd door de wind horizontaal voortgestuwd. Ik had nieuwe wandelschoenen aan, maar die hadden nog met vochtwerende spray waterdicht gemaakt moeten worden.
En ik had nog zo, maar dat was misschien al een paar jaar daarvoor, met ze afgesproken dat we bij de tocht over de Pyreneeën, in die hoge, gevaarlijke bergen, bij elkaar zouden blijven. Maar ik heb ze niet teruggeroepen toen ze langzaam maar zeker verder van mij weg liepen. Om kort te gaan: ik heb mij omgedraaid en ben terug gaan lopen naar Saint-Jean-Pied-de-Port.
De reis en de bestemming
De Pyreneeën ben ik uiteindelijk nooit over gekomen. Ik was 15 jaar lang bijna elk jaar een week van huis geweest en het paste mij niet om perioden langer dan een week het gezin achter mij te laten met twee beginnende pubers thuis. We zouden het een paar jaar later wel afmaken. Maar opeens hoorden we dat Boeddha Evert besloten had, misschien op aangeven van zijn echtgenote, op z’n eentje de Camino door het Noord-Spaanse land te gaan lopen naar Santiago de Compostela.
Evert had niet zo veel zin meer in lange tochten en ik zag op tegen de drukte op dat Spaanse deel van de Camino, waar toeristen uit de hele wereld op afkomen. Ik was bang dat ik daar heimwee zou krijgen naar het fijne, intiemere Zuid-Frankrijk. Boeddha Evert heeft het heel erg naar zijn zin gehad daar in Spanje, dat vertelde hij nog eens een paar dagen voor zijn overlijden, begin dit jaar. Zijn reis zat erop. Maar voor Evert en voor mij was het Santiago-boek gesloten.
Tijdens de tocht heb ik in die jaren nauwelijks gedacht aan Santiago de Compostela. Het ging om het lopen, van minuut tot minuut, van uur tot uur, van dag tot dag, een week lang en dan een jaar later weer verder waar we gebleven waren 2). De bestemming was uiteindelijk niet die bedevaartsplaats, maar alle wegen, weggetjes en paden die we gegaan zijn, de buitenlucht, de ontmoetingen, de restaurants, pensions en zelfs campings waar we hebben overnacht 3) en de tijd die we met z’n tweeën en later met z’n drieën hebben doorgebracht. Ik zou het zo weer doen en ik werd weemoedig toen ik pas geleden die mannen zag lopen in die prachtige TV-serie Dwars door de Lage Landen.
_________________
1) Bij het biljarten zijn er drie ballen. Je stoot met de punt van de queu (het lange stuk hout) tegen één van de witte ballen, die daarna dan de twee andere ballen moet raken; lukt dat, dan heet dat een carambole.
2) De route: we hebben in Nederland het Pieterpad gelopen, in België, Luxemburg en een stukje in Noord-Frankrijk de GR 5 die in Nice eindigt. Vanaf Metz hebben we zelf de route uitgezet tot in Zuidwest-Frankrijk, waar we de laatste 300 km over de GR 65 hebben gelopen, dat is de Via Podiensis, de oostelijke pelgrimsroute naar Santiago, die het decor vormt van De Camino van Anya Niewierra. Evert en ik hebben meer dan 2000 km gewandeld in 109 dagen, verdeeld over 29 etappes de eerste in 1989 en de laatste in 2008. Boeddha Evert heeft de laatste 600 km met Evert en mij meegelopen en heeft daarna nog ruim 800 km gelopen naar Santiago de Compostela.
3) We hadden een keer tentspullen inclusief butagasje bij ons en blikjes witte bonen in tomatensaus en knakworstjes; toen heb ik wel geleden onder het gewicht op mijn schouders en heb ik om meer dan één reden genoten van het wegwerken van de blikjes voer.
O O O O O O OO O O O
Foto: pexels.com, Eberhard Gross; wegwijzer bijgeplaatst door Jan
Reacties zijn van harte welkom; openbare reacties kun je hieronder plaatsen; reacties naar Jan kun je sturen naar koetjwm@gmail.com.
Op http://dewereldenvanjan.blog kun je je aanmelden voor wekelijkse toezending; op de die website staan ook alle eerdere berichten uit de werelden van Jan.
-
59. Onderweg (Santiago II)

ONTMOETINGEN EN ANDERE HERINNERINGEN
Van die 109 dagen dat ik onderweg was naar Santiago zijn er eigenlijk niet zo veel duidelijke herinneringen over. Maar er zijn een paar bijzondere ontmoetingen geweest die in mijn geheugen zijn blijven hangen.
De terugweg
Na een uur of twee lopen al, tussen Groningen en Winsum, op weg naar Pieterburen, zagen we een prachtig kerkje liggen waar Evert en ik ingingen. Het was een 13e eeuws kerkje, gebouwd op de wierde van Oostum. In de kerk liepen twee dames rond en ze vroegen ons wat onze bestemming was. “Santiago de Compostela”, zeiden we. “O, wat mooi is dat, dat zal een mooie reis worden. Maar weet je wat ook heel mooi is? De terugreis.” Nou, dat zal best zo zijn, maar dat zou toch nog wel heel wat jaartjes duren. Die terugreis was nog wel heel erg ver weg en dat we die te voet zouden kunnen afleggen was nog niet bij ons opgekomen.
Toen we die kerk uitliepen en verder trokken in noordelijke richting zullen de dames misschien tegen elkaar gezegd hebben: “Dat is de verkeerde kant. Ze hebben het zeker verkeerd begrepen”.
Ome Piet
Een bijzondere figuur op het Pieterpad (van Pieterburen naar de Sint-Pietersberg) was Ome Piet. Zijn naam ging rond bij de wandelaars van dit pad. Meestal met de vraag: Heb je Ome Piet al eens gezien?” De meeste mensen hadden hem nog nooit gezien. Het Pieterpad is tussen 1978 en 1983 door twee dames bedacht, gelopen en beschreven. Maar Ome Piet fietste altijd het pad langs, sprak wandelaars aan en gaf iedereen een lijstje mee met adressen voor goedkope overnachting, alsof hij een soort baas van het Pieterpad was. Wij hebben hem één keer gezien, op het pontje over de Rijn bij Millingen. Tot die tijd was hij voor mij een soort Sinterklaas: “Zou de goede Sint wel komen?” of “Bestaat Sinterklaas eigenlijk wel?”.
De inwendige mens versterken
De belangrijkste herinnering van Evert ligt op culinair vlak. We logeerden op een boerderij bij Sleen in Drente en de vrouw des huizes had een hele pot stoofpeertjes klaar staan. Hij mocht ze allemaal opeten en daar hoor ik hem nog steeds over.
Een andere herinnering aan eten was in Essoyes in Midden-Frankrijk. We dachten een hotel daar aan te treffen, maar dat was al een paar jaar dicht en er was in de buurt verder niets. Toen wij op een pleintje duidelijk van onze teleurstelling blijk gaven nodigde een man ons uit om bij hem thuis te komen. Wij kregen te drinken en een zeer vette hap te eten en mochten slapen op de zolder. Evert heeft toen vanwege de vlooien die nacht geen oog dicht gedaan. We hebben de man, die het zo te zien met vrouw en twee kinderen niet al te breed had, een betaling gedaan als ware het een eerste klas pension.
Bedevaartgangers
Vanaf Clermont-Ferrand in Midden-Frankrijk waren we met z’n drieën. Een andere vriend van mij, ook Evert genaamd, ging meelopen. Ik zal hem verder Boeddha Evert noemen, omdat de andere Evert hem altijd zo heeft aangeduid.
De mooiste ontmoetingen waren toch die met een verbinding met de bedevaart. Onderweg in Zuid Frankrijk was een heel klein winkeltje aan de route, gerund door een vrouw van een jaar of zeventig, waar allerlei religieuze kleinigheden werden verkocht. Boeddha Evert en ik gingen er binnen, misschien hebben we er een ansichtkaart gekocht, en toen we naar buiten liepen bleef ze in de deuropening staan en ze zwaaide ons zingend uit met een mooi religieus lied dat tientallen meters later nog als van een engeltje in onze oren kwam.
Wij zijn onderweg twee Franse vrouwen tegengekomen van boven de zestig, allebei weduwe. We zagen hun bij verschillende opeenvolgende etappes telkens weer en ze waren altijd levendig aan het kletsen met elkaar of samen aan het zingen. Ze vertelden ons dat ze de tocht naar Santiago ieder jaar deden vanuit hun woonplaats en dan drie maanden lekker gingen wandelen, kletsen en zingen.
Bidden en een kaars aansteken
In Lectoure, een paar dagen verder, vroegen we aan de lokale pastoor of hij een overnachtingsadres had voor ons. Hij verwees ons naar Mme Esprit. Zij had niet lang daarvoor haar man verloren en zij bood pelgrims een overnachting en een fantastisch ontbijt aan voor een prijs die wij zelf mochten bepalen. Bij het afscheid vroeg ze of we in Santiago een kaars wilden aansteken voor of namens haar. Wij werden in die regio ook in kerken vaak aangesproken met de vraag of we pelgrims onderweg naar Santiago waren en als wij dat hadden bevestigd of wij dan daar voor ze wilden bidden. Daar hebben we natuurlijk altijd ja op geantwoord.
Toen we weer thuis waren na die week schreef ik in een mailtje aan Evert en Boeddha Evert:
“Ik denk dat het, gelet op ons tempo, niet fair is de vraag over het bidden zo te interpreteren dat we dat pas gaan doen in Santiago; ook voor Mme Esprit zou dat wel eens te laat kunnen zijn en ik schaar me inmiddels achter jullie visie dat we al onderweg zouden moeten gaan bidden. Zolang we niet in Santiago zijn, zijn we onderweg. Ik zou dus zeggen, heren, laat ons bidden. Nu.”
Evert reageerde onmiddellijk en stuurde ons dit gebed:
“Ene
Laat het zo zijn
dat alles en iedereen in de kosmos
en in het bijzonder degenen die dat extra behoeven
het geluk deelachtig worde
dat ons drieen deelachtig werd
toen wij
onder uw hoede
ons
hebben begeven
op de paden
alwaar dat geluk
zo overvloedig
over ons
kwam
Ik vraag u dat
in alle ootmoet
en dankbaarheid”
O O O O O O OO O O O
Foto: Gert Hardeman (Jan heeft wegwijzer bijgeplaatst)
Reacties zijn van harte welkom; openbare reacties kun je hieronder plaatsen; reacties naar Jan kun je sturen naar koetjwm@gmail.com.
Op http://dewereldenvanjan.blog kun je je aanmelden voor wekelijkse toezending; op de die website staan ook alle eerdere berichten uit de werelden van Jan.
-
58. Alleen, maar niet eenzaam (Santiago I)

OM NOG EVEN IN VAKANTIESFEER TE ZIJN
Het was 14 oktober 1989, een paar weken nadat Evert en ik hadden bedacht en afgesproken dat we zouden gaan wandelen naar Santiago de Compostela in Spanje, al duizend jaar een pelgrimsoord. Evert had niet lang daarvoor kennis gemaakt met het Peters Principle 1) en ik had dik een jaar daarvoor de echtelijke woning verlaten met achterlating van mijn eerste echtgenote en mijn toen nog enige dochter. En Evert en ik gingen als veertiger in een midlifecrisis geen motor kopen maar lopen.
Het idee speelde al langer in mijn hoofd. Vele jaren waren we met de auto over snelwegen gereden naar vakantiebestemmingen, meestal in Frankrijk. Maar eigenlijk wilde ik weten hoe dat nou is als je dat hele land te voet zou doorsnijden en over landweggetjes, door dorpen, steden en bospaden één lange aaneengesloten route loopt. Een idee om bijvoorbeeld op de kaart een rechte lijn te trekken van Noordoost naar Zuidwest en die lijn dan zo dicht mogelijk volgen. Niet specifiek iets toeristisch of per se mooi, maar gewoon, hoe ziet dat er dan eigenlijk uit. Het zou dus nog iets langer worden. Van Pieterburen alle kilometers naar Santiago de Compostela onder je benen door laten gaan.
We hadden geen planning voor de hele route, dus eerst maar gewoon naar Pieterburen en de eerste twee etappes naar Groningen doen.
De start
Dat ging al meteen mis. In Groningen kwamen we laat aan (dus gewoon te laat vertrokken) en we besloten toen meteen de eerste wijziging aan te brengen in het routeschema: we zouden de route Pieterburen – Groningen in omgekeerde volgorde lopen. Toen we in Groningen uit de bus stapten die ons zou afzetten op de weg die ons naar Pieterburen zou leiden, bleek dat we aan de verkeerde kant van Groningen terecht waren gekomen, dus terug naar het centrum en toen we uiteindelijk de goede bus uitstapten, waren we klaar om de eerste schreden van de Grote Tocht te zetten.
Het begon meteen te regenen. Maar veel erger was dat Evert meteen veel harder begon te lopen dan ik kon bijhouden; hij liep al gauw vijftig meter voor me uit. Ja, hij had het al van tevoren gezegd: ieder moet zijn eigen tempo lopen. Evert had me al eens verteld dat hij in achtereenvolgende jaren met zijn drie kinderen, aan het begin van elks puberteit, een tweedaagse bergtocht heeft gemaakt in de Pyreneeën en dat hij, ook toen, die stelregel had toegepast. Ik kon het dus weten.
Alleen lopen
Ik had toen nog niet gehoord van vele grootheden uit de geschiedenis die altijd alleen er op uitgingen: Nietzsche, Kant en vele anderen liepen alleen. Bij het wandelen kunnen nieuwe ideeën opkomen en dat wordt belemmerd door de aanwezigheid van een ander, met wie je je misschien wil onderhouden of omgekeerd. Frédéric Gros beschreef in zijn boekje Wandelen 1) dat je tijdens het wandelen in de natuur nooit alleen bent, omdat je wandelend de sympathie wekt van al het leven dat je omringt: bomen, vogels en bloemen. En ook dat je eigenlijk altijd met z’n tweeën bent omdat er vaak vanzelf een gesprek ontstaat tussen “ziel en lichaam”, waarbij je je lichaam bijvoorbeeld kunt aanmoedigen: “Kom op, je kunt het, het is nog maar een uurtje lopen”. Je hebt dus eigenlijk de steun van een wandelmaat niet nodig. De NRC schreef eens dat wandelaars die met een vriend lopen minder last ervaren bij het klimmen 3). Misschien ontstaat hetzelfde effect als je je lichaam als vriend beschouwt. 4)
Toen Evert in Groningen zo van mij wegliep had ik het dus even moeilijk, maar realiseerde me dat ik daar geen verandering in zou kunnen en willen brengen. Ik heb me er snel bij neergelegd en er ook nooit meer over gemopperd. We spraken tevoren af waar we zouden pauzeren en wat onze eindbestemming van de dag zou zijn. Ik zorgde er wel voor dat ik de routekaarten bij me had en als Evert dan voor een punt stond waar hij niet wist hoe verder, dan wachtte hij me op totdat ik had geroepen linksaf of rechtdoor en dan ging hij weer verder. En als we ergens zouden stoppen, zou dat “bij de kerk” van een dorp of stadje zijn.
Greppels
Het is één keer goed mis gegaan. Ik kan me niet herinneren of we toen wel een tussenstop hadden afgesproken, maar Evert liep voor me uit, we kwamen door een dorp en ik liep naar de plaatselijke kerk. Ik kon Evert daar niet vinden en dacht: hij is al doorgelopen, we wisten immers wel de eindbestemming van die dag. Ik heb op die eindbestemming uren op Evert gewacht en toen we elkaar eindelijk troffen was Evert flink overstuur. Hij had in alle greppels langs de weg gekeken en wilde mijn vermissing al doorgeven aan het thuisfront.
We hadden namelijk (ook) afgesproken dat als we elkaar mis zouden lopen dat we dan terug zouden gaan naar de plek waar wij elkaar het laatste hadden gezien. Nou, daar was ik dus niet. Recent vertelde hij me dat zijn overstuur zijn kwam omdat ik daarvoor net had verteld dat ik wat last had gekregen van hartritmestoornissen.
Evert heeft die dag urenlang alleen gelopen, met ongerustheid als enige metgezel, en daar dus helemaal niet van kunnen genieten.
VOLGENDE WEEK SANTIAGO II
O O O O O O O O O O O O
1)Het Peter Principe werd eind jaren zestig beschreven door Laurence J. Peter en Raymond Hull van de Universiteit van Washington in een boek met de titel The Peter Principle: Why Things Always Go Wrong.
Daarin wordt gesteld dat in een hiërarchie elke medewerker stijgt tot aan zijn niveau van onbekwaamheid. Ik formuleer dat anders, in de Tweede Wet van Koet: “Wie nooit heeft gefaald kent de grenzen van zijn mogelijkheden niet”. Alleen door trial and error bereik je uiteindelijk de plek waar je thuishoort en elke tegenslag kan een leermoment zijn. Het gaat altijd fout in rigide organisaties waarin mensen blijven zitten op de plek waar zij niet optimaal functioneren.2) Fréderic Gros. Wandelen, een filosofische gids. 2022
3) NRC 17 juni 2008 “Helling oogt minder steil met een vriend”
4) Ook volgens Gerry and the Pacemakers loop je nooit alleen:
When you walk through a storm
Hold your head up high
And don’t be afraid of the dark
At the end of a storm
There’s a golden sky
And the sweet silver song of a lark
Walk on through the wind
Walk on through the rain
For your dreams be tossed and blown
Walk on, walk on
With hope in your heart
And you’ll never walk alone
O O O O O O OO O O O
Foto: Jan
Reacties zijn van harte welkom; openbare reacties kun je hieronder plaatsen; reacties naar Jan kun je sturen naar koetjwm@gmail.com.
Op http://dewereldenvanjan.blog kun je je aanmelden voor wekelijkse toezending; op de die website staan ook alle eerdere berichten uit de werelden van Jan.
-
57. Autospecial 2024

OVER AUTO’S EN AUTORIJDEN, ALLEEN VANDAAG
Mini-geschiedenis van de auto
Tot 200 jaar geleden werden voertuigen op wielen alleen voortgedreven door de kracht van levende wezens, soms door de windkracht of, bergafwaarts, door de aantrekkingskracht van de aarde. Geslaagde pogingen om dat op een andere manier te doen hadden niet veel succes. Zo was het gewicht van een stoommachine die op een onderstel werd gezet – op zich geen slecht idee – zo hoog dat je ermee in de nog niet netjes geasfalteerde straten snel kwam vast te zitten.
In Engeland kwam de ontwikkeling van de automobiel ook om andere redenen niet op gang. In 1801 bouwde de Britse ingenieur Richard Trevithick een driewielige stoomwagen met achterwielaandrijving. Maar er werd een wet gemaakt waardoor er altijd iemand voor een automobiel uit moest lopen met een rode vlag (’s nachts moest dat een rode lantaarn zijn) en hij of zij (was Christine Laxon niet de eerste ?) moest op een hoorn blazen. De vooruitgang werd daarmee effectief geblokkeerd.
Pas vele jaren later, toen de verbrandingsmotor op aardoliebasis was uitgevonden, zette de ontwikkeling door. En nu zijn er maar weinig mensen boven de 18 in Nederland die geen auto bezitten. Pakweg drie groepen: mensen die er geen geld voor hebben, mensen die te zenuwachtig waren bij het rij-examen of door fysieke of andere beperkingen niet kunnen rijden en mensen die hun bubbel binnen de Ring van Amsterdam toch niet uitkomen.
Mijn mini-geschiedenis met auto’s
Ik had op mijn achttiende al na 12 lessen een rijbewijs en ik had ook al snel een als een gek olie lekkende Citroen Ami. En ik heb daarna gereden in een Renault 5, een Simca 1100, een Volvo 440, een Citroen BX en een stuk of zes Lada’s die ik nieuw kocht en na twee jaar weer inruilde of eerder als ze total loss waren gereden. Zo ging het binnenrijden van een camping in Hongarije onder half openstaande slagbomen niet zo goed omdat ik vergeten was dat er twee fietsen op het dak stonden, twee keer is een exemplaar van achteren aangereden in het verkeer en één keer, geparkeerd, vol in de flank, een andere keer (of was het twee keer) zag ik bij het achteruit rijden een paaltje over het hoofd en één keer kwam die auto van rechts te snel. En nu hebben we al heel lang een Toyota die al bijna 20 Yaris; die is niet stuk te krijgen.
Autosport
Het aantal mensen dat auto rijdt bedraag 11,9 miljoen. Maar het aantal mensen dat het autorijden als sport beoefent, racen met auto’s dus, is slechts een fractie daarvan. Het is natuurlijk geen goedkope sport waarbij komt dat je door al die botsingen al gauw geen schadevrije jaren meer hebt en geen all-riskpremie kunt afsluiten. Dat wordt dan een kostbare zaak. Zelf kwam ik door een enkele aanrijding en twee auto-inbraken (radio + bijbehorend dashboard werden meegenomen) ook al een tijdje in het kneuzenfonds te zitten, waar je in terecht komt als geen commerciële verzekering je meer wil accepteren.
Formule 1
En dan is het vandaag weer een grote dag voor de autosport in Nederland. We hebben een aantal jaren achter de rug met races waar je met ingehouden adem ziet gebeuren wat je al wist dat er zou komen. Met dank aan de organisatie die er voor zorgt dat de langzaamste auto’s sowieso niet meedoen en dat de snelste ook als eerste mogen vertrekken zodat ze de eerste paar ronden niet worden gehinderd door voor hun liggend verkeer en de loper dus als het ware wordt uitgelegd. Verder geen last van tegenliggers en overstekende voetgangers (er zijn überhaupt geen zebrapaden). En het aantal toeschouwers wereldwijd nam alleen maar toe tot en met 2023.
Toen ik voor de eerste keer een Formule 1 wedstrijd bekeek, bij de buren, was het eerste wat ik hoorde op de TV op welke banden ze gingen rijden. Daar was ik wel erg verbaasd over. Ik heb in mijn leven misschien wel 300 uur naar de Tour de France gekeken en nooit heb ik iets gehoord over het type banden waarop ze gingen rijden, ook in de Ronde van Italië en die van Spanje hebben ze daarover gezwegen. Afgezien van die enkele inhaalactie heeft de verslaggever van het F-1 gebeuren het ook tijdens die rit over weinig anders gesproken dan het wisselen van de banden.
Die avond keek ik nog naar voetbal op TV en constateerde dat er in de eerste 1 1/2 minuut van de eerste de beste wedstrijd al meer was gebeurd dan in die anderhalf uur Formule 1. Maar misschien vinden de Formule I-kijkers het wel prettig en zien ze graag wat ze verwachten en houden ze van een grote voorspelbaarheid. Misschien is de Formule 1 juist zo populair vanwege die voorspelbaarheid.
Op dit moment gaat “onze” (in België geboren en in Monaco woonachtige) Max weliswaar nog steeds aan kop in de stand om de wereldtitel, maar hij is dit jaar minder vaak de winnaar. De voorspelbaarheid is daardoor sterk gedaald. Ook morgen is geen zekere zaak; als je met een langzamere auto die snellere die voor je rijdt wil inhalen zal het wel weer op het banden wisselen aankomen. Max schijnt daar erg goed in te zijn.
Formule WK
Veel mensen die van die voorspelbaarheid houden, hebben zich daarom al gewend tot de Formule WK (Wijzers van de Klok). Er zijn slechts drie deelnemers: de secondewijzer, de grote wijzer en de kleine wijzer. En de race begint elke dag precies om 12:00 uur met een vliegende start waarbij alle drie de wijzers tegelijk over de startstreep gaan. De race gaat over 720 ronden. Het is al snel duidelijk dat één van de deelnemers aanzienlijk sneller gaat dan de andere twee: in één uur legt de secondewijzer maar liefst 60 ronden af! De tweede deelnemer heeft in die tijd precies één ronde afgelegd en de derde bevindt zich nog in de buurt van het startpunt. In een constant tempo gaan de drie stug door. En wat blijkt: de secondewijzer heeft na precies 12 uur de 720 ronden afgelegd; de andere twee blijven in aantal afgelegde ronden ver achter, maar het is altijd weer een mooi gezicht als ze na die 720 ronden toch alle drie precies tegelijk over de finishstreep gaan. Een aanrader!
Toegift: als de race saai is, moet je er als commentator toch wat van maken. De race in Monaco in 2019 was één van de saaiste volgens de deskundigen. Daar rijden ze over een traject waar je elkaar niet kunt passeren!! Luister maar eens wat ze daarvan gemaakt hebben op Youtube: 2019 Monaco Grand Prix: Race Highlights.
O O O O O O OO O O O
Illustratie: vlaggen: pixabay.com, foto auto: Jan
Reacties zijn van harte welkom; openbare reacties kun je hieronder plaatsen; reacties naar Jan kun je sturen naar koetjwm@gmail.com.
Op http://dewereldenvanjan.blog kun je je aanmelden voor wekelijkse toezending; op de die website staan ook alle eerdere berichten uit de werelden van Jan.
-
Meer berichten uit de werelden

Het zit er aan te komen. Een nieuwe reeks met onderwerpen als een bedevaartstocht, het plezier van schrijven, identiteit, het kindje van rapper Khalifa, lessen van een hondentrainer en van een spirituele meester, op een gepast moment een autospecial en nog veel meer.
Zoals altijd met belevenissen, observaties, wetenschappelijke inzichten en open deuren.
De eerdere 56 berichten, blogs, stukjes of essays zijn goed bekeken. Misschien weet je nog iemand die ze misschien ook wel interessant of leuk vindt. Aan hem of haar kun je vertellen dat ze wekelijks, in de regel op zondagmorgen, gratis in de mailbox terechtkomen (misschien soms in de spam) na achterlating van het mailadres op http://dewereldenvanjan.blog. Aanstaande zondag de eerste van de nieuwe reeks.
Reacties kun je hieronder geven of privé naar koetjwm@gmail.com.
-
56. De bal is rond en andere voorspellingen

OVER TV-KIJKEN EN VOORSPELLINGEN DOEN
versie 20 juni 2026
Vandaag de 2e ronde op het WK voetbal voor mannen. Het Nederlands mannen-elftal moet aan de bak. Een paar miljoen mensen zullen naar deze wedstrijd met extra belangstelling kijken, omdat ze fan zijn van het Nederlands elftal of gewoon omdat ze benieuwd zijn hoe “onze jongens” het zullen doen. De meesten zullen de wedstrijd volgen op de televisie.
Voetbal kijken op TV
Een paar jaar geleden zat ik naar een voetbalwedstrijd te kijken en vroeg me na een tijdje af: waar kijk ik eigenlijk naar, waar let ik op. Soms heb ik het idee dat ik op een soort stand-by aan het kijken ben, in een halve aanwezigheid totdat er weer iets spannends voor het doel gebeurt. Ik heb na afloop van zo’n wedstrijd dan ook bijna niets meer onthouden, behalve dan dat enkele doelpunt of een mooie actie.
Het schijnt dat TV-kijken sowieso een soort halvering van je bewustzijn teweeg brengt: je hersenactiviteit drijft dan op de alfa-golven, die normaal gesproken alleen ontstaan op de momenten tussen dag en nacht, in het schemerlicht wanneer we rustig zijn maar niet slapen maar ons ook niet goed meer kunnen focussen.
Genieten
Ik heb daarna geprobeerd wat actiever te kijken, bijvoorbeeld naar de posities in het spel en hoe de spelers die niet aan de bal zijn toch ‘meevoetballen’, hoe een combinatie tot stand komt, etcetera. En als ik “erbij” ben kan ik ook heel erg genieten van mooi spel. Bijvoorbeeld een mooie pass, een knal naar voren, waarvan je in eerste instantie niet weet waar die voor bedoeld is, maar dan blijkt dat zich ergens op het veld al iemand al in beweging had gezet, die dan met een rush precies uitkomt waar de bal zou landen, net buiten het bereik van terugstormende verdedigers en een uit zijn doel snellende keeper. Zoals Joey Veerman bij PSV dat kan en Daily Blind. Heerlijk om naar te kijken. Of een direct “op de slof” genomen bal die volstrekt verrassend “in de touwen wordt gejaagd”. Of driehoekjes van aanvallers die verdedigers hoorndol maken.
Maar het blijft toch vaak een magere bedoening in mijn hoofd, achteraf zeg ik niet vaak dat ik iets heb beleefd en ik heb mij daarom voorgenomen nog wat selectiever te zijn in de keuze waar ik naar ga kijken. Ajax en het Nederlands elftal zal ik wel trouw blijven denk ik.
De voorspellingen
En wat gaat het nu verder op het WK? Hoe gaat dat er uitzien voor ons? In april 2024 zei Ronald Koeman, de trainer van het Nederlands elftal: “Niets is onmogelijk en natuurlijk zullen we niet de grote favoriet zijn maar ik denk dat het allemaal niet zover uit elkaar ligt, wij en die grote landen. Maar er zijn altijd spelers die de kar moeten trekken. En als die er niet zijn door blessures of zo … daar ben je toch afhankelijk van.“ (Studio Sport Voetbal, 14 april 2024). Hij zou nu precies hetzelfde gezegd kunnen hebben. Hij zei toen nog net niet “En je weet het niet, hè, de bal is rond.”
Dat hoor je vaak. Dat lijkt dan te suggereren dat je kunt trainen en voetballen wat je wilt, maar dat je de uitslag toch niet in de hand hebt. Alsof het dus een toevalsfactor is. Maar daar wordt door psychologen en statistici toch echt anders naar gekeken.
Tussen de oren
Je hebt natuurlijk zaken als techniek, uithoudingsvermogen en spelinzicht bij de individuele spelers. Maar wedstrijden tussen teams op hetzelfde niveau worden volgens de psycholoog en voetbalfanaat Jeffrey Wijnberg 1) altijd beslist door wat tussen de oren zit bij de spelers. Voor Wijnberg doet het pijn aan de ogen wanneer hij weer eens een wedstrijd verloren ziet gaan, puur omdat spelers zonder zelfvertrouwen aan de wedstrijd beginnen. En er is meer psychologie in het voetbal dan alleen het geloof in eigen kunnen. Onverzettelijkheid, lef, onderlinge communicatie, totale concentratie, wedstrijdmentaliteit en voor elkaar door het vuur willen gaan, zijn allemaal psychologische kwaliteiten die het verschil betekenen tussen winnen of verliezen.
Real Madrid is sinds 1966 maar liefst 15 keer de beste club van Europa gebleken. Er zijn misschien wel 1000 betaald voetbalclubs die in principe mogen meedingen naar die Europacup/ Champions League Cup. Het is duidelijk, daar hoef je zelfs geen statisticus voor te zijn, dat die resultaten van Real Madrid geen toeval zijn.De bal is rond
De bal is rond en dat is maar goed ook; stel je voor hij had een andere vorm! Die bal is een heel mooi, betrouwbaar ding, mits van standaardgewicht en standaard opgepompt. Daar ligt het nooit aan. Het kan waaien, altijd van de verkeerde kant natuurlijk, er kunnen graspolletjes zijn, maar de rest is het werk van de spelers en hoe ze tegen die bal aantrappen, koppen of als keeper weten tegen te houden. En de bal kun je dus niet de schuld geven. Wel de scheidsrechter natuurlijk en vooral de VAR 2).Voor nu genoeg woorden en afwachten wat die bal gaat doen.
_ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _
- Jeffrey Wijnberg. Voetbal is psychologie. 2014.
- VAR = Video Assistant Referree, een hulpje van de scheidsrechter, die aan de hand van camerabeelden kan adviseren over scheidsrechtelijke beslissingen. De VAR krijgt vaak de schuld, bijvoorbeeld omdat hij (of zij?) weer eens heeft zitten slapen.
Foto: http://www.pixabay.com
Reacties zijn van harte welkom; je kunt ze hieronder plaatsen; reacties naar Jan kun je sturen naar koetjwm@gmail.com.
Vind je dit bericht leuk, aarzel dan niet de “like”-knop in te toetsen en de mail door te sturen aan anderen.
Op de website http://www.dewereldenvanjan.blog kan iedereen zich aanmelden door zijn mailadres daar achter te laten.
Op http://www.dewereldenvanjan.blog vind je ook alle 55 eerder verschenen berichten.
-
55. Voetbalspecial deel II, we doen het samen

OVER HET GEMEENSCHAPSINSTINCT EN HET JUICHEN
ook voor liefhebbers
Gemeenschappen
Voor veel voetballiefhebbers gaat het er deze weken om of hún land wint. Zij steunen de vertegenwoordigers van de gemeenschap waartoe zij behoren. Er zijn veel soorten gemeenschappen. Je hebt werkverbanden, vriendengroepen, sportclubs, politieke partijen, je hebt het land waar je woont en zangverenigingen en je kunt ook supporter/fan zijn. En je dus identificeren met het wel en wee van je club: als je hard juicht als ze winnen en bedroefd bent bij een verlies, is je gemeenschapsinstinct aan het werk.
Ik ervaar zelf dat als je met een groep kijkt naar een voetbalwedstrijd, dat dan de emotie om het winnen en verliezen sterker is dan in je eentje. Met elkaar ervaar je het gemeenschapsinstinct sterker. Met mijn koorvrienden bijvoorbeeld, met een man of dertig hebben we naar een EK- of WK-wedstrijd gekeken. Op een klein TV-schermpje. Ik was er helemaal ingekropen en als ik weer eens razend enthousiast werd van een prachtige rush waarbij de tegenstanders werden gepasseerd alsof die verlamd waren, maar waarbij de bal uiteindelijk toch net naast ging, dan kwamen ze toch wat bezorgd vragen of ik me niet te veel opwond.
Teamgevoel
Je eigen belang opofferen voor het teambelang, dat hoor je elke week wel een keer in de nabeschouwingen van een voetbalweekend. Ik was zelf niet zo’n teamplayer, daarom wou ik denk ik graag keeper van Ajax worden maar geen veldspeler. Maar ik denk dat ik ook het overzicht en het gevoel niet zo had, bij cowboyfilms wist ik bijvoorbeeld nooit wie de goeien en wie de slechten waren (ik weet nu dat ik toen had moeten denken dat de indianen de slechten waren).
Ik denk dat ik 6 of 7 jaar was en toen speelde ik een keer op straat en er ontstond een blaaspijpgevecht met van die plastic buizen waardoor je zelf (van de krant of de Libelle) gemaakte papieren pijltjes kon wegblazen. Ik denk dat ik met vier andere jongens aan één kant tegenover drie andere jongens stond. Op een gegeven moment viel me op dat er bij de tegenpartij veel meer pijltjes op de grond lagen dan bij ons; logisch, wij waren met z’n vijven en bliezen er dus veel meer. Toen ben ik naar de andere partij gelopen want van daaruit kon ik lekker veel blazen. Later zei mijn oudere broer, die bij die eerste vijf hoorde, dat ik dat maar niet meer moest doen.
Voor zover ik me kan herinneren kwam het eerste echte gevoel van teamverbondenheid pas tientallen jaren later, toen we een keer met het managementteam van ons kantoor gingen paintballen. Langzaam sluipend, elkaar zachtjes signalen gevend over de positie van “de vijand”, trokken we op in een grote afhankelijkheid van elkaar en dat gaf mij een heel bijzonder gevoel. In de opgewondenheid van onze succesvolle operatie schoot ik vervolgens drie keer vanaf anderhalve meter op de chef-deurwaarder, terwijl mij was verteld dat je een meter of tien afstand moest houden. Gelukkig kon de chef-deurwaarder wel tegen een stootje. Hij heeft mij zelfs nog een tip gegeven over een woning die te koop stond in de wijk waar hij zijn werk deed en daar wonen we nu al meer dan dertig jaar.
Juichen, maar niet te lang
Ik kijk bijna elke week naar Studio Sport Voetbal Eredivisie. En dan valt me zo op hoezeer de uitingen op het veld verschillen van wat de voetballers in interviews na afloop zeggen. Als een speler een doelpunt heeft gemaakt, maakt hij een sprong die nog wel een halve meter hoger is dan waarmee hij zojuist met een kopbal heeft gescoord. Hij rent dan weg om op zijn knieën nog een meter of vijftien door het gras te schuiven (ik denk dan steeds: er zal toch geen glas op het veld liggen, dan heeft hij namelijk meteen twee doorgesneden kruisbanden). En dan is er een groepshug van alle spelers die bovenop hem gaan zitten en liggen.
Of de groep medespelers komt hem meteen dank zeggen, nog voordat hij gelegenheid krijgt de knieschuif te maken. Dan staat ie nog en komen er soms wel vijf, zes of meer spelers die op hem springen en aan hem gaan hangen. Kunnen die benen al dat gewicht wel dragen? Zou een trainer of de sportfysiotherapeut niet moeten zeggen dat dat onverantwoord is?
En dan komt de gelukkige doelpuntenmaker voor de camera. De interviewer nodigt hem uit om te zeggen hoe hij zich voelt over dat prachtige en belangrijke doelpunt dat zorgde voor een gelijkspel. Het gezicht betrekt en voorzichtig komt het uit zijn mond: “We doen het natuurlijk allemaal met elkaar en ik doe mijn best om belangrijk te zijn voor het team. Jammer dat we niet alle drie de punten mee naar huis hebben kunnen nemen.”
Anders dan direct na het doelpunt moet je je voor de camera natuurlijk niet te hard op de borst kloppen, dat vinden je teammaatjes vast niet leuk. Ook dat is teamwork.
Overleven
Darwin zei al: hoe sterker trouw, gehoorzaamheid, moed en sympathie voor elkaar, altijd klaar staan om elkaar te helpen en om zichzelf op te offeren voor het algemeen welzijn, des te meer overlevingskans op andere groepen. Natuurlijke selectie dus.
En die eigenschappen hebben we nog steeds nodig als we als groep iets voor elkaar moeten krijgen, zoals bij voetbal.
_____________________________
Foto: http://www.pixabay.com
Reacties zijn van harte welkom; je kunt ze hieronder plaatsen; reacties naar Jan kun je sturen naar koetjwm@gmail.com.
Vind je dit bericht leuk, aarzel dan niet het door te sturen aan anderen. Op de website http://www.dewereldenvanjan.blog kan iedereen zich aanmelden door zijn mailadres daar achter te laten.