-
15. Wandelingetje, deel II De Analyse

Over korte ontmoetingen met vreemden (vervolg)
Het verhaal van gisteren over het wandelingetje heb ik opgeschreven omdat ik er de laatste tijd op heb gelet wat er eigenlijk gebeurt in zo’n situatie. En ik heb gemerkt dat zo’n confrontatie mij korte tijd afleidt van gewoon wandelen en genieten van de omgeving. En het lijkt wel of dit zich allemaal afspeelt in de wereld van de gedachten, maar mij is duidelijk geworden dat de basis hier wordt gevormd door fysieke mechanismen die al duizenden of miljoenen jaren bestaan. Mechanismen die uiteindelijk tot doel hebben het organisme te beschermen. En dat beschermen gebeurt doordat het lichaam in veel situaties op een standaardmanier reageert, zonder dat je daarbij hoeft na te denken.
Wat mij het meeste verraste toen ik erover ging lezen *) was de stelling dat wat wij voelen als emotie een soort vertaling of een weerspiegeling is van wat er in je lichaam gebeurt. De wetenschappers gebruiken dan het woord emotie meestal voor de lichamelijke reactie op een gebeurtenis en zeggen dan dat die emotie vervolgens een gevoel oplevert. En dat gevoel wordt gevormd in de hersens.
Dan nu even terug naar dat wandelingetje. Ik beschrijf nu wat er feitelijk volgens de deskundigen gebeurt.
Reactie op lange man met enge hond
Ik loop dus op dat wandelpad en zie opeens iemand 50 meter verderop. Het is die twee meter lange man in zijn T-shirt met korte mouwen. En een even enge hond. Dat wordt allereerst geregistreerd door mijn ogen. In de ogen worden de lichtprikkels omgezet in signalen die naar de verschillende hersendelen worden gestuurd. Eén van de eerste onderdelen die worden bereikt is de amygdala, ook wel de pijnappelklier genaamd. Daarin zit een databank met allerlei situaties die gevaar betekenen. Bij mij zal de amygdala de nadering van die man als een gevaar aanmerken. En dan worden andere hersendelen gewaarschuwd. Dat gebeurt razendsnel, binnen 0,2 seconde vanaf het moment dat de man in beeld kwam! Daarna gebeuren er drie dingen:
– in de spieren verandert er iets, ze worden voor actie klaargemaakt
– in de hersenen worden stofjes aangemaakt die bijvoorbeeld de bloedtoevoer reguleren en
– ook in de organen (bijvoorbeeld je darmen) kunnen veranderingen plaatsvinden; er zullen zich kleine veranderingen hebben voorgedaan in allerlei autonome functies zoals huidgeleiding, pupildiameter en de hartslagfrequentie.
Voordat ik het zelf in de gaten heb (want dat gebeurt pas na minimaal 0,5 seconde), heb ik me al helemaal voorbereid op de actie om het wandelpad af te gaan en de straat over te steken. Ik ervaar dan pas een licht angstgevoel, ik zeg tegen mezelf: ik ga maar naar de overkant. Maar als ik dat denk en zeg, is de noodzakelijke beweging al lang in gang gezet door mijn lichaam.
Reactie op niet enge vreemden
Als zich andere personen aandienen en de onbewuste check op gevaar negatief is uitgevallen (geen gevaar dus), is er grote kans dat ik daarover geen seintje krijg. Maar het feit dat er iemand op me afkomt betekent al dat een vorm van confrontatie zeer goed mogelijk is. In mijn lichaam gebeurt er weer van alles, maar met een mindere intensiteit dan in het geval van de gevaarlijk uitziende man. Er is sprake van afwachtende aandacht voor wat er staat te gebeuren: er is lichte vorm van opwinding (ook wel ‘arousal’ in de literatuur) die ik waarschijnlijk niet bewust merk. Maar als ik daarvóór zorgeloos om me heen keek naar de bomen, de huizen en de tuinen en luisterde naar de vogels, dan kan ik wel constateren dat dat nu is onderbroken.
Dat één-op-één elkaar passeren is nog niet zo eenvoudig. Als je in de grote hal van Station Utrecht Centraal loopt voeg je jezelf in de massa die dezelfde kant op wil als jij en is er geen spannende keuzevraag. Maar op dat ene wandelpad, waar de enige andere wandelaar mij tegemoet komt, is er geen stroom waarin ik kan opgaan, het wordt een individuele keuze. Ik zal in die situatie ook niet zo gauw over ingewikkelde dingen gaan denken, de boodschappen kan ik straks wel met mezelf bespreken, dat kan even wachten.
Ik vraag mij af of het moment al is gekomen om zelf een keuze te maken om aan de rechter- dan wel linkerkant van het pad of toch nog aan de andere kant van de groenstrook te gaan lopen. Ik realiseer me dan niet dat als het moment is gekomen mijn lichaam die keuze zelf wel maakt. De spanning loopt licht op naarmate de tegenligger dichterbij komt en opeens merk ik dat de tegemoetkomende medewandelaar wat meer naar links of naar rechts is gaan lopen of dat ik zelf niet meer op het midden van het pad loop. Hė, hė, dat was toch niet zo moeilijk, het ging vanzelf.
Het blijft nog even spannend
De spanning is echter nog niet weg, want het moment van groeten komt nu dichterbij. En als ik zie, op het moment dat mijn hoofd richting de tegenligger is gedraaid, dat hij of zij dat ook doet, ik mijn groet heb uitgesproken en er een gelijkwaardig antwoord komt, is de operatie geslaagd. Een korte bevestiging van mijn bestaan en mijn volwaardig lidmaatschap van de gemeenschap. Na deze geslaagde sociale interactie wordt het hormoon oxytocine afgegeven, wat een kort prettig gevoel oplevert, en ook het lichtelijk gestegen adrenaline-nivau glijdt terug naar een basisniveau zoals voordat de wandelaar mij tegemoet kwam.
Dit ging over dertig seconden tijdens een wandelingetje. Emoties spelen de hele dag door een grote rol. We hebben het niet in de gaten, maar wij worden toch voortdurend beïnvloed door emoties. Het laatste woord is daarover nog niet gezegd in deze serie.
O O O O O O O O O O O O
*) Onder meer in Antonio Damasio. Ik voel dus ik ben. 2001. Oorspr.: The feeling of What Happens. 1999
Fotobewerking: Johan Leo Koet
Eerdere berichten zijn te vinden op www.dewereldenvanjan.blog
Reageren naar Jan: mail naar koetjwm@gmail.com
Reacties die je hieronder invult kunnen voor andere lezers zichtbaar worden.
-
14. Wandelingetje, deel I De Confrontatie

OVER KORTE ONTMOETINGEN MET VREEMDEN
Ik wandel graag en combineer dat soms met de dagelijkse boodschappen. Het is een wandeling van iets meer dan een half uur. Het is best aangenaam, want als je de drukke straten mijdt, loop je door een groene woonomgeving met veel bomen en kun je een groot deel van het jaar geluiden van vogels horen: een groot orkest als een wolk om je heen.
Een deel van de route loopt langs een heel rustige weg, waarlangs aan beide zijden een groenstrook is en daarachter een niet te breed voetgangerspad. Soms loop ik gewoon op de weg, maar meestal op dat pad. Soms kom ik daar niemand tegen, maar vaker komt mij op het wandelpad wel een andere wandelaar tegemoet.
Tegenliggers
Dan komen er een aantal praktische vragen bij me op:
- Blijven wij beiden op het wandelpad of gaat één van ons op de weg lopen?
- Als de keuze is gevallen op gezamenlijk het wandelpad bewandelen, aan welke kant passeren wij elkaar?
- Nemen we nog maatregelen die er voor zorgen dat we niet te dicht bij elkaar komen om de integriteit van de persoonlijke levenssferen niet te verstoren of om redenen van pandemische aard?
- Ongeacht of we ja dan nee elkaar passeren op de zelfde weg: gaan we elkaar groeten?
- Bij al deze vier vragen gaat het om initiatief, de timing en de keuze.
Van baan wisselen?
Allereerst is er het moment dat je iemand in beeld krijgt die je tegemoet komt. Waarschijnlijk zie je al snel of het een bekende is of zie je iets anders waardoor je heel graag of juist niet in enige nabijheid van die persoon zou willen verkeren. Zo kan ik me voorstellen dat de opdoemende contouren van een twee meter lange gespierde man in mouwloos T-shirt met voor zich uit grommend een gevaarlijk uitziende hond voldoende is om zo snel mogelijk het wandelpad te verlaten en het wandelpad aan de overkant van de weg op te zoeken. De afstand zou dan meteen ook zo groot worden dat groeten dan ook niet meer voor de hand zou liggen.
Of als er een ouder echtpaar loopt, strak gearmd; zij zouden het dan even moeten stellen zonder dit symbool van hun eeuwige verknoping. Of wanneer anderszins te voorzien is dat het wandelritme even moet stokken bij de tegenligger. Ook dan ligt het voor de hand dat ik initiatief neem om het wandelpad te verlaten en op de weg te gaan lopen. Soms tref ik het als al op grote afstand de tegenligger initiatief neemt om mij ruimte te geven. Ik doe dan extra mijn best om een vriendelijke groet uit te brengen als ik dan gepasseerd wordt met de groenstrook tussen ons in.
De confrontatie
Maar in andere gevallen lopen de tegenligger en ik allebei in het midden van het wandelpad. Dat kan natuurlijk nooit zo lang duren, anders volgt een botsing. Grote vraag voor mij is dan: wanneer kies ik een kant of hoe lang wacht ik totdat duidelijk is wanneer de tegenligger een keuze maakt. Gedachten gaan dan door mij heen over wie dan sterker is. Degene die het langste wacht en dus het langst het midden van het pad claimt en misschien wel zou willen zeggen: ik ga helemaal niet opzij? Of is het juist degene die als eerste een keuze maakt en daardoor feitelijk bepaalt waar die ander dan moet lopen? Ik ben er nog niet uit, maar zelf zit ik in de categorie van zo snel mogelijk duidelijk maken aan de andere partij aan welke kant ik ga lopen.
Een vergelijkbare vraag doet zich voor als je elkaar niet goed of met te weinig afstand wandelend kunt passeren, waardoor één van de partijen zich even in een geïmproviseerd parkeervakje tussen twee struiken moet ophouden om de ander zijn weg te kunnen laten vervolgen. Ook hier hoor ik tot de categorie die al in een vroeg stadium duidelijk maakt even opzij te willen stappen. Dat maakt het voor mij ook mogelijk zelf de afstand in acht te nemen die ik prettig vind.
En dan nog dat groeten
Ik vind het fijn als ik onderweg mensen gedag kan zeggen. En nog fijner als ze de groet beantwoorden. Maar dan zit je eerst nog met de vraag hoe lang tevoren kijk ik mensen aan. Als je dat bijvoorbeeld al op een afstand van 10 meter doet en je groet dan nog niet, dan lijkt het een beetje op aanstaren. Als je wel al gaat groeten, dan passeert er daarna een tijd dat je gegroet hebt en al wegkijkt terwijl je je nog praktisch recht tegenover elkaar bevindt en dat voelt ook ongemakkelijk. Ik denk dat zo’n twee, drie seconden voor het feitelijk passeermoment het beste is. Dat geeft genoeg tijd om elkaar echt even aan te kijken en een wederzijdse groet kan worden overgebracht.
En dan ben ik blij met de ontvangen groet, zeker wanneer die van een glimlach vergezeld gaat, en vervolg ik mijn weg en kan ik weer om me heen kijken en naar de vogels luisteren.
Een hele operatie steeds die zich afspeelt in misschien dertig seconden. In het tweede deel van dit verhaal, in de volgende blog, vertel ik iets over de emoties die onder een gebeuren als dit schuil gaan.
Morgen is het Tweede Paasdag. Er wordt gemopperd dat dat al lang geen echte zondag meer is. Zo komt bij mij morgenavond Albert Heijn 30 pakken koffie afleveren (1 + 1 gratis !). Maar ik zorg ervoor dat het tweede deel van dit verhaal, de analyse, morgenochtend weer bij je in de mailbox zit. Voor je zondagochtendgevoel .
-
13. Met de collectebus op pad

OVER WISSELENDE CONTACTEN OP DE ZATERDAGMIDDAG
Twee weken geleden ging ik met een collectebus op pad om geld in te zamelen voor Amnesty International. Het was al de derde keer. Ik ben donateur en werd een paar jaar geleden gebeld of ik met de collectebus in de buurt wilde rondgaan en dat deed ik omdat ik geen nee kon zeggen. En zo is het gekomen.
Het is altijd even wennen. Je belt aan, doet je korte introductie, en dan krijg je geld of niet. Dat wordt bij mij als ik niet oppas emotioneel vertaald door: word ik gewaardeerd of word ik afgewezen. Daar moet ik me even op instellen. Daarna gaat het eigenlijk vanzelf.
Ik werd vaak met open armen ontvangen:
“Ik zal u vertellen: ik ben al 26 jaar donateur van Amnesty, maar ik doe ook wat bij u in de bus” of men gaat direct al naar achteren om geld te halen.
Of ze hebben geen geld in huis en zijn ook niet bedreven in het gebruik van de QR-code, of zeggen dat ze principiëel mensen niet aan hun geld laten zitten via zo’n mobiel.
Of ze doen de deur open, kijken je aan en laten dan een diepe zucht horen en dan na drie seconden
“Nee, ik doe het niet”.
Of ze hebben andere keuzes gemaakt:
“Ik doe alleen Kanker en het Leger des Heils”.
Een mooie variëteit.
Er zijn veel redenen te bedenken waarom mensen reageren zoals ze reageren. Een heel primaire is: ik zie iemand met een bus, die wil iets van mij afpakken. Een andere kan zijn: ik zie iemand en ik doe wat in de collectebus omdat dat sociaal passend gedrag is. En weer een ander zou kunnen zeggen: ik heb over het doel van de collecte nagedacht en geef omdat ik dat een goede zaak vind, of het tegendeel. Presidenten worden gekozen omdat ze er zo sympathiek en geloofwaardig uitzien; dat soort afwegingen zal ook aan de deur wel gemaakt worden.
Er was trouwens een reeks van acht huizen naast elkaar waar ze allemaal een sticker op de deur (kost 99 cent per sticker) hebben met de tekst: “NEE Géén collectes, verkopers of geloofsovertuigers”. Zouden ze dat met elkaar hebben afgesproken?
Omdat er in onze wijk al genoeg vrijwilligers waren, had ik dit jaar een andere wijk van ons dorp gekregen. Een wat oudere wijk dan waar wij wonen, met echt heel leuke huizen uit de jaren dertig, vaak twee-onder-een-kap, die allemaal verschillend waren, met mooi houtwerk rond de voordeur en aan de erkers en balkons. Het maakte een knusse indruk, het was prettig door die wijk te lopen. Maar ik zou daar toch niet willen wonen, er is daar minder groen dan in ons wijkje en in die andere wijk zit je vlak bij de weg naar Zandvoort, die als het een beetje mooi weer is op zondagmiddag om 2 uur al helemaal vaststaat. Bij ons hebben ze geen stoepen langs de straten, er ligt alleen maar een stuk asfalt. En als ik door onze straatjes rijd of loop heb ik daardoor soms het idee dat ik daar op vakantie ben, in zo’n bungalowpark van Centre Parcs of zo.
Er waren ook grotere, vrijstaande huizen in die wijk waar ik liep. Zo kwam ik langs een huis met een grote oprit met een enorm, meer dan manshoog tralie-hekwerk ervoor en ik liep onbewust door. Even later werd ik me er bewust van dat ik me heb laten leiden door dat grote, zwarte hek. Ik heb het niet gezien als een stuk verplaatsbaar metaal, maar er de functie aan gekoppeld, namelijk tegenhouden, en een emotie: hier ben ik niet welkom en daarbij ook nog een verwachting: hier krijg ik niets. Ik draaide me om, belde aan bij de intercom aan de zijkant van het hek en werd vriendelijk te woord gestaan. Het grote hek schoof langzaam open en toen ik bij de huisdeur was stond een man, veertiger, klaar met zijn mobiel al in zijn hand om met de QR zijn donatie te doen.
Het viel me op dat veel mensen op de zaterdagmiddag de deur open doen en dan een dubbel slot nog van de deur moeten doen. Er waren ook twee adressen waar de mensen naar boven gingen omdat daar hun portemonnee lag. Eén van hen was een heel moeilijk lopende vrouw die eerst van boven was gekomen om de deur open te doen en daarna nog naar boven moest om haar geld te halen. Dat deed me wel wat.
Soms stopten mensen papiergeld in de collectebus, maar dat stak er dan nog een beetje uit. Ik ging dan, duidelijk zichtbaar voor de gever, met het plastic ID-kaartje het geld verder de bus in duwen. Het zal me toch niet gebeuren dat mensen denken dat ik het geld er uit zou willen halen. Sinds het ballonnetje van toen ik vijf jaar was heeft niemand me ooit betrapt op stelen.
Zo al wandelend, tussen alle vriendelijke reacties en afwijzingen in, heb ik wel eens de neiging te kijken naar de vraag of het eigenlijk wel nut heeft of, zoals een vroegere baas wel eens tegen mij zei: “En dan denk ik, nietwaar, Jan, dan denk ik, ik zal maar zeggen, nietwaar, waar zijn we in vredesnaam mee bezig, niet waar?“
Ik had ongeveer 125 euro in de bus gekregen en er waren een stuk of tien QR-betalingen, zeker 50 euro bij elkaar. In ruim 2 uur collecteren zeker de moeite waard. Met een mooi doel dat praktisch helemaal steunt op particuliere donaties.
Maar ik heb wel mijn vraagtekens bij de collectes voor ziektes; voor elke ziekte is er wel een stichting (met een directeur en personeel). De zorgkosten in Nederland bedragen 115 miljard euro, als je dat omslaat naar de 15 miljoen Nederlanders van 18 jaar en ouder, is dat 7500 euro per persoon!! Moeten er dan nog organisaties zijn die vrijwilligers langs de deuren sturen om daar nog een paar euro-tjes bij te halen? Kunnen die extra euro’s dan niet beter naar landen waar mensen bij bosjes doodgaan omdat er geen eten is en er ook niet genoeg medicijnen zijn? En nog veel meer van dat soort gedachten.
Maar ik heb besloten om er voor te zorgen dat ik altijd geld bij de hand heb om iedereen die met een collectebus voor de deur staat, en voor welk doel hij of zij dat ook doet, weg te laten gaan met een glimlach. Twee mensen blij.
PS. Als je thema’s herkent uit eerdere stukjes, dan is dat geen toeval.
O O O O O O O O
Foto: Johan Leo Koet
Eerdere berichten zijn te vinden op www.dewereldenvanjan.blog
Reageren naar Jan: mail naar koetjwm@gmail.com
Reacties die je hieronder invult kunnen voor andere lezers zichtbaar worden.
-
12. Het handje van de dokter

OVER DE TASTZIN
De tastzin is misschien wel het eerste zintuig in de ontwikkeling van levende organismen. Het zorgt ervoor dat een organisme kan ervaren wat zijn grenzen zijn. Zonder die grenzen is er geen onderscheid met de totale kosmos en geen individu. *) Er ontstaat een entiteit enerzijds en zijn omgeving anderzijds. Met de tastzin kan een organisme ervaren wanneer het niet verder kan (boem-is-ho) of dat er een bewegend voorwerp zijn plek probeert in te nemen. Kijk maar naar de reactie van een slak als je een takje er tegenaan houdt. Het reageren op een aanraking gebeurt al bij eencelligen. In dit bericht gaat het over wat de tastzin voor ons als mens betekent, te beginnen bij dokter Eijsenga.
Dokter Eijsenga
Toen ik in Scheveningen woonde was dokter Eijsenga mijn, antroposofische, huisarts. Als ik bij hem op spreekuur kwam, stak hij zijn hand uit, maar hij deed daar eigenlijk niets mee: geen stevige handdruk of een gewone handdruk, gewoon een uitgestoken hand, een bewegingsloos maar slap handje. Ik heb een vermoeden dat dat het eerste deel was van zijn inventarisatie van de klachten. Voordat je wat gezegd had wist hij of er eventueel iets aan de hand was, aan de hand van wat hij voelde in de aanraking met de hand van zijn patiënten; en natuurlijk gaf je houding, je oogopslag en het gebruik van je stem bij de begroeting hem ook al de nodige informatie. Hij ging niet zo ver om meteen zonder gesprek een receptje uit te schrijven, hoewel hij dat misschien wel had kunnen doen.
Professioneel voelen
Als mijn veronderstelling klopt heeft dokter Eijsenga de tastzin gebruikt als instrument voor zijn vak. Omdat hij dat waarschijnlijk dagelijks tientallen keren deed, dag in dag uit, jaren lang, kan het een routine zijn geworden waarbij hij je gewoon begroet en jou alle aandacht geeft bij binnenkomst, maar waarbij hij ondertussen automatisch opmerkzaam wordt gemaakt op afwijkende zaken. Of misschien wordt de informatie die zijn handen binnenkrijgen vanzelf toegevoegd aan het totaalbeeld dat hij van de patiënt heeft, aan het patiëntendossier in zijn geheugen.
Mijn geliefde is fysiotherapeut en past in haar behandelingen zogenaamde ritmische massages toe. Haar handen zijn eigenlijk haar ogen, zegt zij. Zij “ziet” wat er aan de hand is en kan vaak met haar handen zaken in goede banen leiden. Haar handen hebben geleerd subtiele verschillen te kunnen onderscheiden en met haar ervaring en intuïtie kan zij aan die verschillen een betekenis toekennen en tegelijk kunnen haar handelingen tot verlichting leiden van de klachten waarmee de patiënten bij haar komen.
Tastzenuwen
Ik sta niet toevallig stil bij de handen. Samen met de lippen en de geslachtsdelen zijn de handen het meest toegerust met tastzenuwen en daarvan zitten er vooral veel in de vingertoppen. Dat laatste is bijvoorbeeld erg handig voor blinden die met braille lezen, want de puntjes van het brailleschrift kunnen daardoor heel erg dicht bij elkaar liggen en toch worden onderscheiden. Op andere plekken van je lichaam zitten ze zover uit elkaar dat je het verschil tussen een prik met één speld en twee prikken op drie centimeter van elkaar niet merkt (bijvoorbeeld op je rug).
Maar bij allerlei situaties zoals bij massages en helingstechnieken als Reiki , Touch for Health, Quantum Touch wordt de hele hand gebruikt. Interessant daarbij is dat de hand dan niet alleen wordt gebruikt om iets te voelen, maar ook er voor te zorgen dat die ander dan iets gaat ervaren. Dat kan warmte zijn, er kan een beweging tot stand worden gebracht van huid en spieren, maar de aanraking met de hand kan ook zonder beweging en zelfs op afstand effecten hebben; een prikkeling, een tinteling, e.d. Degenen die deze technieken toepassen spreken dan vaak over het uitwisselen van energie. Daar schrijf ik later nog over.
Mens Werk
Mijn oma liet me, lang geleden, een keer de binnenkant van mijn hand zien en wees mij de plooien aan die samen de letter M vormden. En als je omgekeerd keek de letter W. En ze zei toen dat dat betekende: Mens Werk. Ik weet niet of dat invloed heeft gehad ook mijn loopbaan, maar ik moet wel zeggen dat ik altijd graag gewerkt heb. In het midden van die M of de W zit bij mij een gebied dat vaak tintelt, er zit veel leven op die plek. Misschien is dat ook wel het gebied van waaruit healers hun helende invloed uitoefenen en kan ik dat ook. Of het is gewoon artrose.
We voelen vaak bewust omdat we er iets (anders) mee willen bereiken: doelgericht voelen. De dokter die het voorhoofd van de patiënt voelt, de timmerman die voelt of hij nog even door moet gaan met schaven, drukken in de avocado om te voelen of hij al eetrijp is, met je elleboog checken of het badwater voor de baby al op temperatuur is, en de achterband even indrukken (van mijn fiets bedoel ik dan) om te voelen of die niet te zacht is .
Lekker voelen
Maar voelen omdat het lekker is, voelen om te voelen, kennen we natuurlijk ook allemaal. Mijn oma van de vorige alinea nam mij wel eens op schoot en wreef dan zachtjes met haar hand over de rug mijn hand en zei dan: “Lekker gevoel, lekker gevoel, lekker ge-fiebelde-fabbelde-voel”. Ik kan me niet herinneren of de bedoeling was dat ik dat gevoel zou ervaren of dat zij uitsprak wat zij ervoer, maar het is me wel bijgebleven.
Over voelen en gevoel werd verder niet zo veel gesproken vroeger. Althans niet in mijn familie. En op school had onder de jongens het woord voelen iets stiekems en werd er alleen maar lacherig over gedaan: “Voelen is vies; vies voelen is lekker” .
Dat is nu wel anders. Bubbelbaden, sauna’s, massages, een hele wellness-industrie, duizenden soorten zalfjes, alles gericht op ‘lekker’ (“waarna je je weer herboren voelt en klaar om nog beter te presteren in de maatschappij”; toch fijn zo’n hoger doel of een smoes waarmee je de luxe-behandeling voor jezelf en de daarmee gepaard gaande uitgaven wilt rechtvaardigen). Tientallen boeken, cursussen en films zijn er over het zinnelijk genot. En dan hebben we het nog niet gehad over de grootste volksverhuizing in de wereldgeschiedenis die ieder jaar – met een corona-onderbreking – plaatsvindt: de miljoenen reizen naar de zon, waar je ontdaan van veel kledingstukken, de zon heerlijk op je lijf kunt laten schijnen. En tussendoor de sensatie van het zeewater, die je weer terugbrengt naar 400 miljoen jaar geleden toen we allemaal nog in de zee leefden.
Waarschuwing
Ten slotte een waarschuwing. De tastzin werkt niet effectief bij hoge snelheden. Toen ik een jaar of zeven was, speelde ik een keer buiten en was in de Bilderdijkstraat in Amsterdam lekker aan het rennen. Ik dacht als ik mijn ogen nou dicht doe, dan kan ik misschien nog harder. Het was een heerlijk gevoel totdat ik met mijn voorhoofd tegen een vitrine van Vroom en Dreesmann knalde (boem-is-ho), waarna ik thuis door mijn bezorgde moeder, die de buurvrouw erbij had gehaald, verzorgd werd voor het ei dat op mijn voorhoofd was ontstaan. ’s Avond zagen mijn ouders dat de vitrine geen glas en geen inhoud meer had, de klap was goed aangekomen. Tientallen jaren later heb ik een keer door een weiland gerend met mijn ogen dicht, het is een heerlijke sensatie die ik iedereen kan aanraden, maar toen liep er wel iemand met me mee die mijn hand vast hield en voor mij keek.
OOOOOOOOO
*) In het antroposofische werk De Twaalf Zintuigen van Albert Soesman (1987) begint Soesman met de Tastzin. Hij vertelt “een oud verhaal” dat wij eens één waren met de kosmos, dat we ons toen van die eenheid hebben losgemaakt en dat “het hele menselijke streven niets anders is dan proberen weer aan te kloppen bij de poort waaruit we zijn weggestuurd”.
Foto: Johan Leo Koet
Eerdere berichten zijn te vinden op www.dewereldenvanjan.blog
Reageren naar Jan: mail naar koetjwm@gmail.com
Reacties die je hieronder invult kunnen voor andere lezers zichtbaar worden.
-
11. In de trein met Georgina Verbaan

OVER DE ASSOCIATIES IN ONS HOOFD
Ons geheugen is een grote verzameling van indrukken, feiten, gedachten en gevoelens die alle met elkaar ons beeld van de wereld vormen (die van toen en nu, maar ook die van straks). Die indrukken, feiten, gedachten en gevoelens zijn met elkaar verbonden, wat nodig is om dat totale beeld voor elkaar te krijgen.
Huis met vlinderstruikAls ik aan een huis denk – wat een huis is wist ik al heel vroeg: het had een voordeur en een raam ernaast en het had een schuin dak en er kwam rook uit de schoorsteen; later begreep ik dat huizen er ook anders uit konden zien – zou het zomaar dat oude huisje kunnen zijn waarin ik in 1975 woonde. Ik denk dan meteen aan de degene met wie ik daar woonde, mijn eerste echtgenote, en aan onze relatie, de lage keukendeur waaraan ik mijn hoofd elke dag stootte, de ruzie met de boze buurman en met de cafébaas om de hoek, mijn oudste dochter die toen is geboren en de zonnige tuin met vlinderstruik. En dat mijn toen 1-jarige dochter, op een po gezeten in de tuin, een vlinder uit de lucht graaide en in haar mond stopte.
Al die verbindingen komen vanzelf in een fractie van een seconde op. Het brein brengt het één met het ander in verbinding in een onbewust proces en presenteert in voor ons begrijpelijke beelden de meest relevant geachte uitkomsten van dat proces.
Maar het blijft niet bij wat er in dat huis was, want aan de overkant was een drankwinkel annex pannenkoekenhuis en dan gaan de gedachten (“nu we het toch over een pannenkoekenhuis hebben….”) meteen naar een ander pannenkoekenhuis: Panneland in de Waterleidingduinen. Daar was ik twintig jaar geleden met een teamuitje en diezelfde collega’s van toen zie ik over twee weken weer; ik moet ze nog een reminder voor de reünie moet sturen, maar ik moet toch ook nog een verslagje maken voor het koor, maar eerst moet deze blog af. En zo gaat dat maar door.
De associatietrein
Dat voortkabbelende denkproces, dat voortdurend uitkomsten onder onze aandacht brengt, is bij iedereen aanwezig en het wordt pas onderbroken als er iets moet gebeuren aan denk- of ander werk dat we niet kunnen uitvoeren zonder dat het onze volledige aandacht krijgt. Als je wilt uitrekenen hoeveel 72 x 46 is zal dat bij de meeste mensen niet lukken zonder een moment van aandacht. En in die tijd is er geen ruimte voor andere zaken.
Maar tot die tijd zit je in wat ik (niet als enige) de associatietrein noem, die schijnbaar doelloos doordendert. Thema’s die daarin bij mij vaak langs komen zijn de gesprekken van gisteren, wat mis ging vijf jaar geleden, wat er allemaal nog moet gebeuren in huis en voor het koor, wat ik nog tegen één van mijn vrienden moet zeggen, waarom het geld alweer op is en waarom er weer zo weinig op mijn stappenteller is bijgeschreven. Om maar wat te noemen.
De associatietrein is gratis. Het opstappen gebeurt zonder dat je er erg in hebt. Maar uitstappen is vaak lastig (een soort Hotel California). En omdat je misschien al eens gemerkt hebt dat je met die associatietrein vaak weer op hetzelfde punt uitkomt (“Het lukt me nooit om alles op tijd af te krijgen”) lijkt de route toch wel erg veel op het door conducteurs en machinisten gehate “Rondje om de kerk”.
Liever lui dan moe
Het associatief denken is moeiteloos, snel en het kan enorm veel signalen verwerken tot voor de mens begrijpelijke informatie. Zo zal het meeste nieuws dat je leest of hoort geen bewuste denkactie vragen. Maar als je hoort dat er morgen geen treinen rijden, ga je toch even na wat je plan voor morgen was en of en hoe je dat eventueel moet aanpassen; dat vaagt een bewuste actie. De rest van het nieuws hoor je niet meer.
De Amerikaanse psycholoog Daniel Kahnemann heeft al een tijdje geleden een boek *) geschreven waarin hij het associatief denken “Systeem I denken” noemt; het echte denkwerk waar je bij wijze van spreken even voor moet gaan zitten noemt hij “Systeem II denken”.
Het boek is van 2011, maar wordt nog steeds vaak als het belangijkste boek gezien dat psychologie-studenten absoluut gelezen moeten hebben. En dat is dan vooral omdat het Systeem I denken wel snel is, maar ook oppervlakkig en vaak onjuiste informatie geeft en uitspraken doet waar je eigenlijk eerst even bewust over had moeten denken voordat je daarvan uit gaat. En dat we dat meestal niet in de gaten hebben, omdat het systeem II denken inspanning kost en we liever lui dan moe zijn. Het boek bevat de resultaten van honderden onderzoeken en ik vertel er graag in een volgende blog interessante en leuke dingen over.
Voor vandaag tenslotte nog een stukje uit een column van Georgina Verbaan **). Zij beschrijft op haar manier belevingen in de associatietrein.
“ Een jaar of vijf terug zag ik een oude man op de tram staan wachten. Of nou, eerlijk gezegd was het nog niet tot me doorgedrongen dat ik naar de oude man keek. Mijn ogen zullen in stand-by stand gestaan hebben, denk ik, alleen aan om naderend onheil te registreren, zoals wilde dieren, mensen met een gebrek aan zelfbeheersing (wilde dieren in het algemeen dus), uit koers geraakte voertuigen en natuurrampen, terwijl mijn brein zijn vertrouwde cirkels draaide zonder dat ik – wie dat ook moge zijn – er erg in had.
Heerlijk is dat. Gewoon even een half uitgeschakeld systeempje zijn dat een beetje door bestanden bladert, in koelstand nog wat extra zuurstof door reeds totaal geoxideerde gedachten blaast. Zoiets is pas vervelend als je bewustzijn niet goed uitgezet is en je kan horen welke domme, nare of willekeurige rijtjes er opgedreund worden, of wanneer je brein blijkbaar heel goed bijhoudt wat je nog allemaal moet doen terwijl je dat zelf zo fijn vergeten was.
Van buiten ziet de half uitgeschakelde denkende mens er mysterieus en diepzinnig uit, maar vaak is zo’n systeem gewoon op zoek naar de plek waar die blauwe sok met het teengat voor het laatst gezien is (ACHTER HET STAPELTJE WACHTENDE BOEKEN NAAST HET BED!) of speurt het als een robot met één taakje naar nieuwe haken om oude zorgen aan op te hangen.“
OOOOOOOOOOOOO
*) Daniel Kahneman. Thinking, Fast and Slow. 2011. In Nederlandse vertaling: Ons Feilbare Denken.
**) ‘Het systeem’ van Georgina Verbaan peutert haar iets aan het verstand. Column Georgina Verbaan in Volkskrant 9 augustus 2019.
Foto: Johan Leo Koet
Eerdere berichten zijn te vinden op www.dewereldenvanjan.blog
Reageren naar Jan: mail naar koetjwm@gmail.com
Reacties die je hieronder invult kunnen voor andere lezers zichtbaar worden.
-
10. Het Grote Geheel (I)

OVER HEEL VER WEG EN HEEL DICHTBIJ
Iets heel anders dit keer. We hebben al negen afleveringen achter ons liggen. En die gingen over wat er binnen de mens gebeurt. Er is enerzijds een buitenwereld en aan de andere kant hebben drie “eigen” werelden, die van het waarnemen, het gevoel en het denken. Die drie werelden zullen er voor iedereen anders uitzien, maar toch wel een aantal eigenschappen gemeen hebben. Vandaag gaat het over dat grote geheel waar je deel van uitmaakt.
De mens is onderdeel van wat ik noem Het Grote Geheel. Het Grote Geheel omvat de zon, de aarde en de sterrenhemel die we kunnen zien en alles wat daarbuiten ligt tot en met de verste ster, maar gaat ook tot in het kleinste onderdeel van een atoom en alles wat er verder is, maar waar we geen kennis van hebben.
Dankzij de nieuwsgierigheid van de mens (ben je soms wel eens moe geworden van die kinderen van een jaar of drie, vier die de hele dag steeds maar vragen: waarom?, waarom?, waarom?; het zit er al vroeg in) wordt er heel veel energie gestoken in het onderzoeken van de ruimte, hoe verder hoe beter, en hoe het ontstaan zou kunnen zijn, en zijn er weer anderen die bezig zijn met de kleinste deeltjes.
Sprookje
Professor Robert Dijkgraaf, destijds directeur van het gerenommeerde Institute for Advanced Studies in Princeton, kreeg van Matthijs van Nieuwkerk een paar jaar geleden een hele TV-uitzending op prime time tot zijn beschikking om uit de doeken te doen hoe dat nou zat met die ‘big bang’. Ik was wel benieuwd, maar groot was mijn teleurstelling toen hij vertelde dat hij over de eerst 300 miljoen jaar na de big bang (en dus ook niet over de Big Bang) niets kon vertellen. En nu, inmiddels is hij gewoon Minister voor het Hoger Onderwijs, stellen de wetenschappers dankzij een beter type vliegend fototoestel in de ruimte, dat er veel verder weg (en dus ook langer terug in de tijd) dikke sterrenstelsels zijn die ze daar niet hadden verwacht, zo “kort” na de veronderstelde big bang. En misschien draait het er op uit dat de big bang een sprookje was.
We geloven telkens in nieuwe sprookjes. In de afgelopen jaren werden ook aannames over de maximumsnelheid in de ruimte (Let op: “u mag niet sneller gaan dan het licht”, maar de buitenste sterren verwijderen zich toch sneller dan het licht en dan zie je ze dus nooit meer terug) en donkere massa (misschien wel een verkeerde berekening) steeds meer in twijfel getrokken.
Er is dus veel wat we niet weten. Bill Bryson schreef in zijn “Een kleine geschiedenis van alles” in 2011: “Uiteindelijk komt het er op neer dat we leven in een heelal waarvan we de ouderdom niet kunnen berekenen, omgeven door sterren waarvan we absoluut niet weten hoe ver ze van ons zijn verwijderd, dat is gevuld met materie die we niet kunnen identificeren, en dat werkt volgens natuurwetten waarvan we de eigenschappen niet echt begrijpen.” Het zal anno 2023 in essentie niet veel anders zijn.
De kleinste deeltjes
Niet alleen dingen die heel ver weg liggen, ook juist de allerkleinste deeltjes die zijn ontdekt maken deel uit van het Grote Geheel. Sterker nog: daar is alle materie op gebouwd. Maar ook daar zijn nog niet alle raadsels opgelost.
En dan is er naast materie ook straling. Kosmische straling gaat zelfs zomaar door elk van ons heen, ongevraagd en ongemerkt. En daar komt dan die G5 nog bovenop.
Er doen fantastische verhalen de ronde over kwantumdeeltjes die tegelijk positief en negatief kunnen zijn en ook tegelijk op verschillende plaatsen. Er wordt al nagedacht wordt over commerciële toepassingen ervan. Ik zou er graag belangrijke uitspraken over doen, maar kom nu niet verder dan: als het belangrijk wordt voor ons dagelijks leven merken we het wel en ondertussen hebben we onze handen vol aan het leven van alle dag.
Wil je een idee krijgen van onze plek tussen de grenzen van het heelal en de kleinste deeltjes die we kennen, kijk dan diep in en ver uit de ogen van deze “smiling face” in dit filmpje op YouTube:
(1) https://youtube.com/watch?v=8Are9dDbW24&si=EnSIkaIECMiOmarE
Het begin en het einde der tijden
Wij hebben een denkraam dat alles ziet in een tijdsperspectief. Wij kennen alleen maar een tijdsperspectief dat zich van moment x naar moment y beweegt. Wij kunnen ons niet voorstellen dat iets er altijd is geweest of altijd zal blijven. Wij zeggen dan steeds: het moet toch ergens begonnen zijn? Zo denk ik ook wel. Maar kunnen we geen genoegen nemen met het antwoord: we weten niets van een begin en van een einde der tijden?
Enthousiasme
Eind december 2022 werden er twee planeten ontdekt op een afstand van 16 lichtjaar. Ik krijg wekelijks een mail van Scientias (met populair-wetenschappelijke nieuwtjes) waarin op die ontdekking werd ingegaan. “Daarmee bevinden beide planeten – die zich qua massa met de aarde kunnen meten – zich in de leefbare zone. Dat is al best opwindend nieuws“. Ik denk dan meteen: wanneer gaan we daar heen? Het is wel een eind, want het licht doet er al 16 jaar over om hierheen te komen. Als je dan 20 jaar bent bij vertrek en vliegt met een snelheid van de halve lichtsnelheid (die mogelijkheid is overigens in geen eeuwigheid in zicht) en je komt daar aan, je ziet alleen maar stenen, waarvan je er een paar mee neemt (je wilt toch een souveniertje meenemen voor je geliefde) en je gaat meteen weer terug, ben je toch al 84 jaar bij thuiskomst. Bij “De Speld”, satirische internetpagina, zeiden ze: “Leuk die nieuwe leefbare planeet, maar kan je er ook naar olie boren?”
Waartoe?
Die hele ontdekking van de ruimte en het zoeken naar nog meer kleinere deeltjes is terug te voeren, lijkt mij, op twee vragen: is er nog wat te halen (voor het gemak of voor het lekker) en kunnen we iets vinden om langer te leven en gevaren weg te nemen, niet alleen voor het individu maar ook voor de mensheid. Dat laatste wordt dan vaak vertaald door “Voor mijn kinderen en kleinkinderen”. En dat je je kinderen en kleinkinderen al het goede wenst zit in de genen, mogelijk geholpen door het idee dat je als het ware zelf voortleeft door je nageslacht.
Een tweede wat mij opvalt is dat toch nog vrij veel wordt aangenomen voor waar, terwijl achteraf blijkt dat de stelling niet klopt. En dat heeft misschien te maken met de behoefte aan een coherent beeld van de wekelijkheid. En dat beeld is eigenlijk altijd één beeld. Net zoals wat we zien: een fractie van wat er is, die automatisch wordt ingekleurd. In dat beeld past niet dat we van allerlei zaken zeggen: de kans is groot dat het zus of zo zit, maar het zou ook nog best nog wel heel anders kunnen zijn.
Later
Uiteindelijk is alles altijd in beweging, van het kleinste deeltje tot de verste sterren. En dat past dus helemaal niet in ons streven naar vastigheid. En waar al die bewegingen toe leiden, hangt uiteindelijk bijna altijd af van het toeval. In een latere aflevering ga ik in op de invloed van het toeval en de wetten van de statistiek op ons dagelijks leven (en de dood).
Over een paar weken deel II van Het Grote Geheel, waarin we het natuurlijk moeten hebben over het plantaardig, dierlijk en menselijk leven dat ons omringt.
Foto: Johan Leo Koet
Eerdere berichten zijn te vinden op www.dewereldenvanjan.blog
Reageren naar Jan: mail naar koetjwm@gmail.com
Reacties die je hieronder invult kunnen voor andere lezers zichtbaar worden.
-
9. Het is druk boven

OVER GESPREKKEN IN JE HOOFD
Van de week hoorde ik mezelf zeggen: “Goed gedaan, Jan!”. Gelukkig was er niemand in de buurt, want als ik dat dan gemerkt zou hebben, zou ik mij denk ik wel een beetje geschaamd hebben en tegen mezelf gezegd hebben (maar dan zonder geluid te maken): “Stommerd, dat je zoiets hardop zegt!”
De mens heeft een bewustzijn. Dat houdt in dat ieder mens – bij geestelijke gezondheid – een besef heeft van de omgeving en van zichzelf. En toen dat bewustzijn in de evolutie was ontstaan, was er opeens niet alleen het handelende wezen zelf, bezig met overleven als individu met pijn en genot. Er kwam iets bij dat in staat was dat zelfde wezen te beschouwen met besef van zijn plek in de omgeving. Vanuit die positie ontstonden vaardigheden als het onderkennen van scenario’s, het plannen maken, weten wat je aan het doen bent en je acties of het achterwege laten ervan te evalueren.
Het leek wel of je binnen de eenheid mens twee afdelingen kreeg: een soort afdeling planning en evaluatie enerzijds en de uitvoerende eenheid anderzijds. En in de loop van de evolutie is die afdeling die aanvankelijk alleen wat ondersteunende klusjes kreeg steeds groter en belangrijker geworden en nu denken we dat die afdeling ook de directie vormt. Het is geen eenmansdirectie, want wie komen we daar zoal tegen?
De commentator. Hoe we het in die relatie met anderen doen is vaak onderwerp van overpeinzingen die resulteren in oordelen, onder meer over onszelf. Soms heb ik het idee, en ik ben daar niet de enige in, dat ik steeds het ironisch-kritische commentaar hoor van Statler en Waldorf van de Muppets, ergens rechtsboven achter mij vanaf hun balkon. Die zijn dus al met zijn tweeën en bespreken als een soort talkshowfiguren à la Derksen en Lubach (die ik natuurlijk niet in één adem mag noemen) wat er allemaal verkeerd gaat, wat er nu weer niet deugt, etc.
De rechter. De rechter is een lastpak. Hij heft zijn vinger op en spreekt het oordeel uit. En dat oordeel luidt dan bijna altijd dat je je aan de regeltjes moet houden die de maatschappij stelt: altijd je best doen, carrière gaat voor plezier, geen fouten maken, etc. Nummer drie dus. Ligt in het verlengde van de commentatoren, maar hij is strenger en heeft geen humor.
De medelijdende. Maar het commentaar kan ook een andere, empathische kleur krijgen zoals in de volgende passage uit het dating programma Lang leve de Liefde (15 oktober 2020 op SBS6). Een man deelde aan een vrouw, met wie hij de nacht had doorgebracht, mee dat hij het innerlijk van haar wel heel mooi vond, maar dat zij niet het type was waarop hij normaal gesproken zou vallen. Waarmee hij wou zeggen dat hij niet met haar verder wilde. Zij begon toen te huilen en terwijl hij haar troostte zei ze: “Ik heb het er wel moeilijk mee, want ik had het mezelf zo gegund”. Er was toen dus een vrouw die pijn en verdriet had van de afwijzing, maar die nam niet het woord. Het woord kwam van iemand die medelijden had. Persoon nummer vier. Vroeger zou dat de zorgzame moeder genoemd worden.
Het kind in jezelf. In het therapeutische circuit (en in de Flow) kom je ook nog “het kind in jezelf” tegen. Die kan er ook nog wel bij; sterker nog, dikke kans dat véél mensen hem of haar (nummer vijf in mijn geval) erbij hebben. Het kind in je zelf kan last hebben van die kritische Muppet-figuren en de rechter van wie eigenlijk niks mag. Het kind kan dan zeggen: ”jullie kunnen allemaal de boom in, ik doe lekker toch waar ik zin in heb” of het gaat zitten pruilen, kattekwaad uithalen of gewoon een sprookjeskasteel bouwen.
Je “Higher Self”. In de jaren ‘70 en ‘80 werd vaak gesproken over het zoeken en vinden van je “Higher Self” (nee, het gaat niet over blowen). Dat is dan nummer zes. De Australische spirituele meester Barry Long zei daarover: “There is no higher self; only higher selfishness.” Maar het zal zeker zo zijn dat spirituele en religieuze waarden en gevoelens van eenheid en verbondenheid bij mensen een plek in de interne beschouwingen over zichzelf zullen hebben.
Jezelf. En wat als iemand dan zegt: je moet gewoon jezelf zijn? Dan is de verwarring helemaal compleet. Want wie is dat nou weer, die nummer zeven? Dat is blijkbaar niet zo duidelijk, gezien het aantal cursussen en workshops waarin groepsgewijs naar jezelf wordt gezocht en het aantal boeken en video’s dat daarover de laatste jaren is verschenen. Er is een grote markt voor het product “jezelf zijn”. Het kan ook niet anders dan dat daarover ook nog een blog van mij zal verschijnen.
De goedprater. Pas van de week werd ik mij bewust van degene die zegt: “Nou, OK, nog ééntje dan! Morgen ga ik dan écht beginnen met minderen of met sporten. Die ene dag maakt ook niet zoveel uit, hè?”. Je kent vast wel voorbeelden hiervan. Eigenlijk heb je al beslist dat je er aan gaat toegeven, maar nummer 8 bedenkt daar nog een mooi, geruststellend argument bij.
De waarnemer. Je kunt ook op de stoel gaan zitten van de waarnemer, nummer negen. Die ziet alles zoals het gaat en doet eigenlijk niets anders. Hij of zij geeft geen oordeel. De waarnemer krijgt meestal niet zoveel ruimte van de anderen. En dat dat heel jammer is, hoop ik later nog eens duidelijk te maken.
Het geheel
Het zelfbewustzijn geeft vaak geen eenduidig beeld over dat zelf. De innerlijke spraak lijkt vaak wel op een gesprek of zelfs gekibbel tussen verschillende entiteiten. Die groepsdiscussies, met soms een enkele dominante spreker daarbij, zijn bij veel mensen een groot deel van de tijd aanwezig. Een leuke bezigheid van de waarnemer zou kunnen zijn om te kijken wie hij of zij allemaal om zich heen heeft.
Voor nu sluit ik af met de mening van Jan Bransen *) die, zoals veel filosofen, heeft geschreven over de “vermenigvuldiging van onszelf”. Hij geeft antwoord op de vraag wie dan de echte ik is. Hij zegt:
“Dat vermenigvuldigen is op zich geen probleem, als je maar niet gaat denken dat één ervan de echte is. Wie je bent is juist dat geheel. “
____________
*) Jan Bransen. Je brein of je leven. 2014
Hij schrijft ook nog: “een verdubbeling of vermenigvuldiging van onszelf heeft altijd een eervolle plaats gehad in de filosofie. Plato deelde onze ziel in drieën: als een tweespan getrokken door een welwillend en een ongehoorzaam paard en bestuurd door een menner. Descartes deelde ons in tweeën, enerzijds lichaam, anderzijds geest. (..) Freud kwam uit op drie: Es, Ich en Überich.”
Foto: Johan Leo Koet
Eerdere berichten zijn te vinden op www.dewereldenvanjan.blog
Reageren naar Jan: mail naar koetjwm@gmail.com
Reacties die je hieronder invult kunnen voor andere lezers zichtbaar worden.
-
8. Bij de paarden

OVER VREDE EN GROEPSGEDRAG
Kans verkeken
Ik zag afgelopen zomer op tv de samenvatting van een voetbalwedstrijd. Het was een prachtige dag en bijna alle toeschouwers hadden zomerse kleding aan. De thuisclub stond achter, maar was tegen het einde van de wedstrijd goed op weg om die achterstand weg te werken. Aanval op aanval werd op het vijandelijke doel gericht en je voelde dat de eerste goal in de lucht hing. Na een aantal pogingen was er dan eindelijk die niet te missen kans. En toen die er, het kon eigenlijk niet, toch niet in ging, ging er een luid “Ooooohhhh” door het stadion en letterlijk iedereen gooide zijn handen in radeloosheid naar zijn achterhoofd. En dan zag je alleen maar blote onderarmen en ellebogen omhoog komen alsof het een geregisseerde balletuitvoering was, in een complete harmonie precies tegelijk door duizenden uitgevoerd.
En toen dacht ik aan de paarden.
Rijden en verzorgen
Mijn geliefde en mijn jongste dochter hadden dus samen een paard, Baily genaamd en zij gingen dagelijks naar de stal. Baily was al binnen het jaar overleden na een val op een te gladde “paddock”, maar de dames hadden de smaak te pakken en Lucky kwam. Niet veel later werd de belangstelling van mijn jongste dochter voor het rijden op en het verzorgen van het paard steeds minder en werd zij geleidelijk paardenmeisje-af. Toen stond mijn geliefde er praktisch alleen voor bij de verzorging en heeft zij mijn hulp daarbij ingeroepen.
Gezamenlijke actie
Zo kon het gebeuren dat ik af en toe het paard ging ophalen uit de wei waarop Lucky met misschien wel 80 andere paarden stond. Dat vond ik best wel eng, zo maar lopen te midden van al die beesten. Meestal waren de paarden heel rustig, maar toen ze dachten dat ik de stalbeheerder was (rood T-shirt, kaal hoofd), die op dat moment een nieuw grasveld voor ze zou openen, kwamen ze allemaal tegelijk langs me heen galopperen, want ze wilden allemaal als eerste bij het hek staan. Een indrukwekkende, krachtige, massieve groep was het; meer dan 50.000 kilo kwam er op me af. Ik stond gewoon stil, met mijn handen zwaaiend, en ze renden allemaal keurig om me heen. Ze dachten misschien: als we hem omver lopen gaat het hek niet open. Daarna was ik nooit meer bang om tussen de paarden te lopen.
Als de paarden plotseling een onbekend geluid horen, richten ze allemaal tegelijk hun blik in de richting van waar het geluid vandaan komt en staan ze geconcentreerd met hun oren gespitst te turen, totdat besloten wordt dat er niet ernstigs aan de hand is. Toen Lucky op een weiland stond aan een bosrand en er een grote groep herten langs kwam, stoven alle paarden allemaal tegelijk naar de andere kant van hun weiland en bleven ze vervolgens gezamenlijk heen en weer rennen totdat de herten uit zicht waren.
Vrede
Later ging Lucky naar een andere stal en kwam ze in een kleine kudde te staan. Ik stond daar vaak, bijvoorbeeld als ik ze hooi had gegeven. Bij mij kwamen ze nooit zeuren om een wortel of iets anders te eten, want ik gaf ze nooit iets anders dan hooi in hun voederbak. Ze kwamen als ze uitgegeten waren graag gewoon vlak bij me staan, dan gingen we samen over de wei uitkijken, niets verlangend van elkaar.
Toch is er in zo’n vredige kudde in potentie altijd de strijd over de vraag wie de leider is. Er wordt wat geduwd, er worden kleine beetjes (meervoud en verkleinwoord van beet) uitgedeeld en af en toe wordt er wat getrapt. Er is dan een winnaar en als dat eenmaal is vastgesteld – en van tijd tot tijd herbevestigd – gedraagt de hele kudde zich naar de hiërarchie en gaat de lager geplaatste rustig opzij voor de hogere in rang, ook als dat betekent dat hij of zij de zojuist gevulde etensbak in de steek moet laten.
Zij hebben een grote behoefte om bij elkaar te staan en wandelen vaak in een rijtje achter elkaar over het terrein, maar houden ondertussen de signalen die ze elkaar, uiteraard non-verbaal, geven nauwlettend in de gaten. En als we een uurtje met Lucky waren gaan wandelen, dan stonden bij terugkeer de andere paarden al te wachten en begroetten ons (maar ik denk vooral Lucky) met een vrolijk gehinnik.
Bij de paarden werd ik altijd heel rustig. En dat ervaren veel paardenliefhebbers. Die zijn gewoon graag bij de paarden, waarbij het rijden maar één aspect is van het hebben van een paard. En voor mij is het niet alleen prettig, de paarden zijn voor mij ook een voorbeeld. Als ze eten hebben, voldoende kunnen bewegen en er is niet teveel gedoe in de groep, lijkt het wel of ze de hele tijd gewoon in stilte genieten. Gewoon, er zijn.
Zoogdier 2.0
Zouden we niet meer als paarden kunnen zijn? Misschien is een belangrijk verschil met de mens dat de zoogdieren minder vaak denken, over gisteren, over zichzelf in relatie tot anderen en over de vraag waar ze komende zomer op vakantie heen zullen gaan. Een kudde paarden wil ook niet per se beter zijn dan andere kudden en is niet extra blij of bedroefd wanneer ze toegejuicht worden of juist uitgelachen. Ook de vraag op hoeveel planeten in het Melkwegstelsel menselijk leven mogelijk is (tegenwoordig toch wel wekelijks een issue in de media) zal hun niet bezig houden. Zelfs al het schrijfwerk in deze blog is aan hun niet besteed. Zou het denken misschien de bron van onrust kunnen zijn?
Wij zijn een doorontwikkeling van de zoogdieren (“zoogdier 2.0“) met fantastische capaciteiten. Het gedrag van groepen mensen, zoals in een voetbalstadion, vertoont veel overeenkomsten met het gedrag van de paarden, zeker wanneer er sprake is van plotseling opkomende kansen of bedreigingen. Maar de mogelijkheid om het grootste deel van de dag gedachteloos vredig te genieten, zoals de paarden in de kudde, zijn we als vanzelfsprekendheid al lang kwijtgeraakt.
Foto: compositie Johan Leo Koet met links Lucky
Eerdere berichten zijn te vinden op www.dewereldenvanjan.blog
Reageren naar Jan: mail naar koetjwm@gmail.com
Reacties die je hieronder invult kunnen voor andere lezers zichtbaar worden.
-
7. De maansverduistering

OVER DE ZINTUIGEN VAN ARISTOTELES
Aristoteles constateerde 23 eeuwen terug dat we over vijf zintuigen beschikken waarmee we iets over de wereld buiten ons kunnen ervaren: we kunnen zien, horen, voelen, ruiken en proeven. Dat was waarschijnlijk ook toen niets nieuws, maar hij was de eerste die deze opsomming als zodanig opschreef. De wetenschap heeft er in al die eeuwen eigenlijk niet één aan kunnen toevoegen, hoewel sommigen menen te hebben aangetoond dat we een zintuig hebben waarmee we lokstoffen, uitgescheiden door soortgenoten en genaamd feromonen, kunnen waarnemen. Als dat klopt zou dat fenomeen mede kunnen verklaren waarom het in de liefde vaak minder wordt rond je veertigste, maar daarover schrijf ik later nog wel eens. Vandaag gaat het over de vraag in welke mate we met onze zintuigen überhaupt iets van de werkelijkheid ervaren. Maar eerst die maansverduistering.
Hap uit de maan
Vorige week ging ik om 7 uur ’s avonds van huis om naar de koorrepetitie te gaan. Ik stapte op de fiets en toen ik de hoek om ging, keek ik recht tegen een gigantische volle maan aan. Dat verraste me zeer, ik wilde gelijk mijn geliefde appen dat ze ook even naar buiten moest gaan om naar die prachtige maan te kijken. Maar ik was al laat en fietste door.
Toen ik langs de sportvelden een onbelemmerd zicht kreeg op de maan, zag ik dat er aan de onderkant een grote hap uit was en toen werd ik helemaal enthousiast: een maansverduistering. Ik dacht: dat kan kloppen, want een maansverduistering kan alleen plaatsvinden bij een volle maan, met de zon precies aan de andere kant, waardoor wij tussen die twee in de weg zitten. Wel vond ik het een beetje raar, want ik had er niets over gehoord of gelezen. Toen ben ik toch even gestopt om die app weg te sturen. En fietste gauw verder.
Toen ik een kwartiertje later in de stad reed, constateerde ik opeens dat ook de straatlantaarns in de Grote Houtstraat een klein hapje uit hun onderkant hadden. En toen ik toen daarna in de repetitiezaal kwam ontbrak ook daar het onderste stukje van de lampen en was het mij inmiddels wel duidelijk geworden waarom. Ik was ’s middags bij de opticien geweest, die niet alleen een paar honderd verschillende glaasjes voor mijn ogen heeft gehouden, maar ook met een ongetwijfeld giftig goedje, waarvan je, zo zei de opticien, ook nog een hartfalen kon krijgen, mijn pupillen heeft vergroot en mij daarna vanaf een afstand van 2 cm van mijn ogen met flitslicht heeft bestookt. Hij moest dat wel doen, want anders kreeg ik van het CBR geen rijbewijs meer. Op de een of andere manier was door de actie van de opticien een deel van mijn netvlies buiten werking gesteld; gelukkig maar tijdelijk, op de terugweg tegen middernacht waren er geen hapjes meer uit de straatlantaarns en de maan.
Met de deur in huis
Mijn ogen hadden dus gefaald om correcte informatie door te geven aan mijn hersenen en ik had daaruit een verkeerd beeld over de werkelijkheid geconcludeerd. En dat vertel ik nu, in aanvulling op de tekst waarmee ik eigenlijk had willen beginnen. Die luidt als volgt.
Om maar meteen met de deur in huis te vallen: wat wij bewust denken te zien en te horen is niet wat er buiten gebeurt, het zijn niet de geluidsgolven of de verschillende verschijningsvormen van licht of de stoffen die de smaak veroorzaken, die wij in ons bewustzijn gepresenteerd krijgen. Wat wij zien, horen en proeven is niet de realiteit. Het is een vertaling van de realiteit in de taal van de hersenen. De zintuigen zetten het geregistreerde stukje van de realiteit om in elektrische signalen en chemische substanties, die als ruw materiaal verder worden verwerkt en verfijnd. In die verfijning wordt er niet alleen geselecteerd, maar wordt er ook van alles toegevoegd zodat we vooral relevante informatie over de buitenwereld krijgen. Er wordt dus een vertaalslag gemaakt die er voor zorgt dat we met de in het bewustzijn gepresenteerde informatie iets kunnen; de informatie is eigenlijk ‘real time’ betekenisvol gemaakt.
Een gokje
Toch wel bijzonder dat we in ons bewustzijn maar een fractie kunnen ervaren van wat zich afspeelt in onze hersenen. En dat die beperkte ruimte in ons bewustzijn dan ook nog wordt gebruikt om informatie toe te voegen. Je ziet iets maar krijgt er meteen van alles bij aan herinneringen, associaties en gevoelens die te maken hebben met ervaringen uit en kennis opgedaan in het verleden, waardoor wat je waarneemt eigenlijk per definitie al een persoonlijk, individueel kleurtje heeft. Je voegt context toe waardoor de informatie is ingebed in een totaalbeeld dat jij al hebt. Op basis daarvan doe je een voorspelling, sommigen zeggen een gokje, een “best guess” van wat er buiten gaande is. Er zijn wetenschappers die zeggen dat je de werkelijkheid eigenlijk hallucineert *) . En ondertussen lijkt pure waarneming daardoor onmogelijk.
Paniek
Een zangvriend op ons koor vroeg mij of ik niet wat vaker iets opbeurends kon schrijven. Ik moet hem teleurstellen want ik moet zeggen dat ik toch wel bijna in een soort paniek kwam toen ik me realiseerde dat we de werkelijkheid nooit zien: het is een afgeleide, een vertaling, een constructie, tot stand gebracht door elektrische impulsen en chemische stofjes. En waar blijf je dan verder als mens als je ook nog bedenkt dat de gedachtenwereld uit niets anders bestaat dan concepten, symbolen en tweedehands beelden; die wereld staat misschien wel nóg verder af van de realiteit.
Maar kom op, was het volgende wat ik bedacht en wat ik tegen mijn koorgenoot zal zeggen, dit is waar we het mee moeten doen of, zoals een lezer vorige week reageerde, het is wat het is. Op deze reis zullen we eerst maar eens kijken hoe het nou eigenlijk allemaal in elkaar zit met al die beperkingen en zien we verder wel of en hoe we met onze mogelijkheden daar dan toch het beste van kunnen maken.
Maar voor vandaag is het even genoeg.
O O O O O O O O
*) TED-talk “Your brain hallucinates your conscious reality” door neurowetenschapper Prof. Anil Seth, Universiteit Sussex, https://www.youtube.com/watch?v=lyu7v7nWzfo&t=838s
Eerdere berichten zijn te vinden op www.dewereldenvanjan.blog
Reageren naar Jan: mail naar koetjwm@gmail.com
Reacties die je hieronder invult kunnen voor andere lezers zichtbaar worden.
-
6. Te dicht bij de snelweg

OVER HET OMGAAN MET MENTALE WANKLANKEN
Je ziet een luxe villa of een auto die je mooi vindt; je geeft daar een oordeel over: wil ik daar wonen, ja of nee? Zou ik zo’n auto willen hebben, ja of nee?
Mooie auto’s . . .
Zo vraag ik me al jaren af, telkens als ik een Aston Martin zie of een Rolls-Royce of ik de ene wil hebben of toch liever de andere. De Aston Martin van James Bond, waarin ik mij net als hij zie scheuren over de weggetjes van de Alpes-Maritimes met in de verte het azuurblauw van de Middellandse Zee; luchtigheid, sportiviteit, bravoure. Of de Rolls-Royce – met chauffeur natuurlijk – waarmee ik mezelf, hangend op de achterbank, met 80 km per uur over de snelweg zie glijden, bijna geluidloos, de krant lezend of ik zit lekker niets te doen, naar buiten te kijken; een soort privé 1e klas stilte-coupé, waar je toch op elk moment op vol volume uit de hoogwaardige speakers de symfonische metal-klanken van Nightwish kunt laten komen of een mooie Nocturne van Chopin beluisteren.
. . . en huizen langs de weg
Een mooi huis, dat is niet alleen een veilige beschutting – ik hou van huizen met dikke muren – maar moet voor mij ook voldoen aan de behoefte om een bepaalde status uit te stralen. En als ik vanuit de auto naar een villa kijk met een mooie tuin met bij voorkeur een zwembad erbij dan kan ik fantaseren over hoe ik daar op een zomerse zondagmiddag in de luxe tuinstoelen lig te zonnen, met een glaasje wijn er bij en gezellige visite.
Scannen
Ons reptielenbrein is altijd bezig met scannen. Eigenlijk zijn er maar twee vragen: “Is er gevaar?” en “Is er wat te halen?”. Alles wat bekend is en niet opvalt levert geen reactie op. Als je in de auto zit en het is niet te druk op de weg gaat het meeste aan je voorbij. Een plotseling remlicht voor je levert een onmiddellijke reactie op, je haalt je voet van het gas, je staat op scherp om te reageren op wat er eventueel nog meer gebeurt. Het kan ook zijn dat je oog valt op een MacDonald’s of een La Place en als het lichaam daarop dan reageert zoals door de respectievelijke firma’s wordt gehoopt, dan ga je als vanzelf naar de rechter rijstrook om 500 meter verder de parkeerplaats op te rijden. Maar we kunnen ook geprikkeld worden door dingen die begerenswaardig zijn, zoals bijvoorbeeld luxe villa’s die we vanaf de snelweg zien liggen. En ook daarop reageert het reptielenbrein. Zoals het reptielenbrein binnen een halve seconde een beeld heeft over iemands betrouwbaarheid (dus voordat het tot je bewustzijn is doorgedrongen), zo worden aantrekkelijke objecten op en langs de weg opgepikt door je automatische scan en onder je aandacht gebracht.
Je kijkt er naar, laat het beeld van het huis op je inwerken en geeft het een score. Ja of nee. Zou je het wel of niet willen hebben. Er moet een labeltje op geplakt worden. Een proces van een paar seconden. En dan geef je je oordeel alsof je in de jury zit van Holland’s Next Top Model. Als het een nee is, is de kandidaat direct uit beeld en is het proces klaar.
Een dubbel gevoel
Maar als het een ja is dan heb je een probleem. Je ziet iets dat je eigenlijk wil hebben, je ziet jezelf daar al zitten, maar tegelijk realiseer je je dat je zo’n huis waarschijnlijk helemaal niet kan betalen. En je levenspartner wil sowieso niet verhuizen. Je zou zeggen: dat is toch eenvoudig op te lossen? Je moet er realistisch naar kijken en de afweging maken, je wil je partner toch niet kwijt en denk eens aan de reistijd en die extra schuld, als je die lening überhaupt al zou kunnen krijgen. Dan heb je het opgelost. Met je verstand. Maar het gevoel zegt: het blijft een mooi huis maar je kunt het niet krijgen. Gewoon de feiten accepteren blijkt dan toch lastig.
De mens heeft daar een oplossing voor gevonden: als eenmaal is besloten dat er niet verhuisd gaat worden, gaan we alsnog redenen bedenken waarom het een goede keuze is om er van af te zien. De mooie villa wordt gewoon lager beoordeeld dan even daarvoor en er worden allemaal dingen bij bedacht: misschien is het wel veel te groot voor ons! En: zouden we ons wel thuis voelen tussen al die rijkelui daar? Vast en zeker niet! En: ze spreken daar vast met zo’n raar accent. En we zitten toch best lekker waar we nu wonen. Eigenlijk is dat andere huis ook helemaal niet zo mooi, en dat noemen ze een villa!
Zo’n huis wil je toch niet hebben!
Theorie en praktijk
De psychologie kent dit fenomeen al sinds de jaren 50 en wordt cognitieve dissonantie *) genoemd. Je hebt kennis van twee feiten (waarden, meningen of wensen) die niet lekker met elkaar sporen. Daarom ga je het feit waaraan je niet kunt voldoen minder relevant maken. Of de voordelen van je keuze uitvergroten. En je sluit je af van informatie die het tegendeel zouden kunnen ondersteunen. Net zolang dat er geen conflict meer in je hoofd is, geen dissonant. Eigenlijk ben je jezelf dan een beetje aan het bedotten. Maar het is best nuttig. Door een verschuiving van je waarden of door de waardering van feiten te wijzigen of zelfs feiten te verzinnen, verdwijnen de wanklanken in je hoofd en leer je te leven met de situatie waarin je je bevindt en dat scheelt weer een hoop piekeren.
Ik ken dat fenomeen al een groot aantal jaren. Maar dat de wetenschap dit zo heeft blootgelegd heeft mij niet kunnen afbrengen van mijn overtuiging dat ik helemaal geen nieuwe auto wil hebben. Ik ben al jaren supertrots op mijn twintig jaar oude champagne-kleurige Toyota Yaris Verso met cassettespeler, waar je zelfs een hooggestuurde omafiets rechtop in kunt zetten, dankzij de hoogte van binnen en de lage instap van de achterdeur. Die wil ik niet kwijt, ook al zeggen onze kinderen dat die champagnekleur afschuwelijk is. En de jongens van Top Gear meenden dat de Toyota Yaris Verso een auto is waar je nog niet dood in gevonden wilt worden gevonden en dat die alleen maar gekocht wordt door oudere echtparen die het al heel lang niet meer doen. En het is wel benzine, maar ik rij heel zuinig en ik weet zeker (niet gecheckt overigens) dat de aanschaf van zo’n nieuwe top-klasse-auto veel meer schade toebrengt aan het milieu.
En het is al tientallen jaren zo dat ik, als we naar het zuiden rijden, vlak voor Antwerpen langs de A1 een kasteeltje zie liggen op een mooie groene glooiing, idyllisch omzoomd door een bossage, en dat ik dan altijd hetzelfde denk, net zoals bij alle mooie villa’s die ik vanaf de snelweg kan zien: “Het is heel mooi, maar het ligt te dicht bij de snelweg”.
O O O O O
*) Leon Festinger kwam in 1957 met de “cognitive dissonance theory”, die sindsdien in alle handboeken over psychologie wel te vinden zal zijn, zoals in het standaardwerk Psychology van de Amerikanen Peter Gray en David F. Bjorklund.
Foto: samengesteld en bewerkt door Johan Leo Koet
Eerder berichten zijn te vinden op www.dewereldenvanjan.blog
Reageren naar Jan: mail naar koetjwm@gmail.com
Reacties die je hieronder invult kunnen voor andere lezers zichtbaar worden.