-
5. Bewust of onbewust, dat is de vraag

OVER WAT WIJ MERKEN VAN DE DRIE WERELDEN
Van de week bracht ik mijn jongste dochter met de auto naar een afspraak en onderweg aarzelde ik even over de route die ik zou nemen bij een bepaalde splitsing. We kozen samen voor route A. We raakten in een intensief gesprek en na een minuut of tien komen we bij de afspraak aan en we stappen uit. Op dat moment realiseer me dat ik me echt niet kon herinneren of we nou route A of route B hadden genomen. Daar was ik echt een beetje van geschrokken.
Ik moet echt heel veel gemist hebben:
- De spoorwegovergang, daar kon ik me niets herinneren
- De drukke, smalle winkelstraat waar elk moment iemand vanachter een dubbel geparkeerde vrachtwagen tevoorschijn kan komen om over te steken, niets daarvan
- Drie rotondes gemist in mijn hoofd
- Twee viaducten waar ik echt onderdoor moet zijn gegaan
- Twee stoplichten; heb ik daarvoor moeten wachten?
- Andere verkeersdeelnemers trof ik niet in mijn geheugen aan
En ook van de gebouwen die langs de weg staan (zoals dat mooie gebouw waar Albert Heijn in zit en dat vroeger een politiebureau is geweest) is mij niet bijgebleven dat ik daar wat van gezien heb. En van geluiden kan ik me dus ook niets meer herinneren.
Als iemand had gevraagd of ik een goede rit achter de rug had, zou ik gezegd hebben: “Ik heb in de auto een goed gesprek met mijn jongste dochter gehad, maar ik weet niet hoe we er zijn gekomen”.
Beperkte capaciteit van het bewustzijn
Je kunt niet alles tegelijk en dat geldt zeker voor het bewuste. Ap Dijksterhuis 1) is psycholoog en heeft zich verdiept in allerlei onbewuste processen. Hij heeft geconcludeerd dat de verwerkingscapaciteit van het bewuste maar een fractie is van wat er aan verwerkingen onbewust plaatsvindt. Hij schat dat wat wij bewust kunnen ervaren slechts 1/200.000 is van wat zich in het brein afspeelt. Dat is zoiets als dat we van een voetbalwedstrijd die 90 minuten duurt maar 0,03 seconde te zien krijgen.
De keerzijde van de beperktheid van het bewuste is de ongelooflijke hoeveelheid die het onbewuste voor elkaar krijgt. Denk maar even aan die rit die ik maakte. Het onbewuste zat aan het stuur, wist de weg, de werking van gaspedaal, koppeling, rem en richtingsaanwijzers, de verkeersregels en alles wat ik nog meer bij de rijles destijds heb geleerd. In komende blogs zal het vaak gaan over bewust of onbewust. Ook in relatie tot het waarnemen, het gevoel en het denken. Nu eerst nog even een tweede ervaring van onbewuste processen.
Onbewust douchen
Een paar jaar geleden had ik een ervaring die me over het fenomeen bewustzijn aan het denken heeft gezet. Ik stond onder de douche en toen ik vond dat het lang genoeg had geduurd zei ik tegen mezelf: “Nu ga ik er uit”. Maar er gebeurde niets. Een hele tijd later werd ik me er opeens van bewust dat ik me aan het afdrogen was.
Ik dacht een beslissing te hebben genomen om er onder vandaan te gaan, maar die werd niet uitgevoerd door mijn lichaam. Ik moet nog een behoorlijke tijd onder de douche hebben gestaan, maar ik herinnerde me niets van het dicht doen van de kraan en het uit de douchecabine stappen. Pas veel later en zonder enige bewuste beslissing mijnerzijds moet mijn lichaam uit de douche zijn gestapt. Was mijn lichaam mij de baas? Is het ongehoorzaam geweest? Ik had toch al veel eerder gezegd dat ik er uit wou?
Mijzelf kennend vermoed ik dat ik de hele tijd ruimte heb gegeven aan de stroom gedachten die uit het onbewuste naar boven komt en dat ik het douchegebeuren geen aandacht meer gaf. Als je met volle aandacht met iets bezig bent, is er voor die gedachtestroom geen ruimte.
Je hoort vaak dat mensen bij het scheren, tandenpoetsen of douchen mooie ideeën krijgen en fantastische plannen bedenken. Grootse ideeën zullen er die keer wel niet langsgekomen zijn. Alleen achteraf die verbazing dat ik mij stellig iets voornam zonder dat er ook maar iets in beweging kwam.
Het mooiste van de wedstrijd gemist
Hoe het precies in zijn werk gaat in het bewustzijn is nog niet helemaal duidelijk. Slechts een heel klein deel bereikt dus het bewustzijn. En welk deel is dat? Je denkt misschien: “Nou, dat bepaal ik zelf wel”. Maar het zijn allerlei (onbewuste) hersenprocessen die strijden met elkaar om een plekje in dat bewustzijn te krijgen en het is dan maar afwachten wat jouw bewustzijn bereikt.
Je zit op de tribune bij je favoriete voetbalclub en denkt dat je daar geen seconde van gaat missen; ze spelen tegen hun grote rivaal en het is heel spannend. Je zit vol in de wedstrijd, maar opeens valt je op dat de scheidsrechter toch wel erg veel lijkt op je chef en morgen heb je een functioneringsgesprek. Je gedachten dwalen weg van de wedstrijd en je vraagt je af hoe dat gesprek zal verlopen en je ziet niets meer van die prachtige pass van weer een nieuwe spectaculair voetballende 17-jarige uit de jeugdopleiding waaruit een fraai doelpunt volgt.
Je hebt verloren van je onbewuste. Je was echt niet van plan om eens te gaan denken over dat gesprek morgen. Je had je voorgenomen te gaan genieten van een spannende wedstrijd.
Je hebt het niet allemaal in de hand
Misschien denk je van dag tot dag, van uur tot uur en van minuut tot minuut sturing te geven aan je leven. Maar ondertussen word je in veel opzichten geleid door wat er in je onderbewustzijn allemaal al is bedacht, voorgekookt, waargenomen, geïnterpreteerd, in gang gezet, etc. Bijna alles wat wij ervaren via onze zintuigen, onze gevoelswereld en onze denkwereld komt tot ons via onbewuste processen en er gaat ook veel aan ons voorbij.
Zo nemen we onbewust veel meer waar dan we ons realiseren, nemen we onbewust beslissingen, zijn we ons niet bewust van meningen die wel ons gedrag beïnvloeden, gebeuren grote uitvindingen vaak doordat de uitvinders er ’s ochtends mee wakker worden en zijn we ons vaak niet bewust van emoties die in ons leven.
Ik vind dat fascinerende feiten. We zullen er later nog meer voorbeelden van zien en ook de mechanismen onderzoeken die daaronder liggen. En op die manier leer ik ook mezelf een beetje beter kennen.
________________________
1) Ap Dijksterhuis schreef dit in 2007 in “Het slimme onbewuste”. Uitgeverij Prometheus.
O O O O O O O O O O O O O
Alle berichten van Jan zijn te bekijken op http://www.dewereldenvanjan.blog
Foto: Jan
Reageren naar Jan: mail naar koetjwm@gmail.com
-
Op het koor

OVER ONZE DRIE BREINEN
Ik ben lid van een koor. Niet zomaar een koor, nee, een mannenkoor. En niet zomaar een mannenkoor, nee ik ben lid van het oudste mannenkoor van Nederland. Sommigen van ons spreken liever over het langst bestaande mannenkoor van Nederland; mensen zouden misschien kunnen denken dat wij het koor zijn met de oudste zangers, maar dat is niet het geval. Zangers blijven heel graag lang bij ons koor, maar omdat er steeds voldoende nieuwe zangers bijkomen, zijn we niet het koor met de oudste zangers.
Hersenwetenschapper: we hebben drie breinen
Ik noem dit koor omdat ik het als voorbeeld wil gebruiken voor een beeld dat een hersenwetenschapper al in de jaren 60 heeft geïntroduceerd. De Amerikaan Paul McLean 1) heeft gezegd dat de mens drie verschillende breinen in zich heeft: het reptielenbrein, het zoogdierenbrein en het mensenbrein. Elk van die gebieden zorgt voor bepaalde functies. Deze driedeling heeft me geholpen bij het begrijpen van hoe de mens in elkaar zit en kan verklaren waarom we in verschillende situaties verschillend handelen.
Het reptielenbrein zorgt voor de belangrijkste overlevingsfuncties: voedsel, voortplanting en primaire reacties bij gevaar: vechten, vluchten of “bevriezen”. Het zoogdierenbrein zorgt voor het bij elkaar houden van groepen. Dat brein zorgt voor zodanige reacties dat bijvoorbeeld pasgeboren kalfjes ongestoord gezoogd kunnen worden en dat gevaren van buiten gezamenlijk worden bestreden. Daarbovenop zit bij ons dan nog het mensenbrein met als belangrijkste capaciteiten communicatie door middel van taal, plannen, evalueren, logisch denken en scenario’s maken.
Aan de hand van een repetitie-avond van het mannenkoor kan het onderscheid goed duidelijk worden gemaakt.
De voorbereidingen
Als de zangers naar de repetitie komen is er al veel aan voorafgegaan. Wij repeteren in “Gebouw Zang en Vriendschap” dat al in 1915 speciaal voor het koor is gebouwd, we weten wat we gaan zingen en wanneer het eerstvolgende concert is. De muziek staat op papier met tekst en noten en er kan via internet thuis al geluisterd en geoefend worden. Er wordt ook nagedacht over de toekomst, het valt niet altijd mee om nieuwe leden te vinden en daar worden dan plannen voor gemaakt. Dat gebeurt allemaal door het gebruik van de verschillende mogelijkheden van het mensenbrein. Maar dat is niet waar we het voor doen. Waarom dan wel? Daarvoor moeten we kijken naar het zoogdierenbrein.
Samen zingen
Samen zingen, dat is waar we voor bij elkaar komen. En zingen is één van de leukste dingen die er bestaan. Dat je dat met elkaar kan en wil doen komt door het zoogdierenbrein. Het feit dat je als groep samen geluid maakt brengt een gevoel van verbondenheid. Je kunt dat ook horen bij sportclubs met een grote fan-schare. En je hoeft niet mee te zingen om daar soms kippenvel te krijgen. Neem nou het “You’ll Never Walk Alone” zoals dat door de Liverpoolfans wordt gezongen. En het overkomt me ook wel eens als het Wilhelmus enthousiast wordt gezongen.
Emoties alle kanten op
Het zoogdierenbrein is ook verantwoordelijk voor de emoties van de individuele zangers. Je begrijpt misschien hoe je je kunt voelen wanneer de dirigent, nadat we 11 keer eenzelfde stukje hebben moeten zingen, het nog steeds niet goed genoeg vindt. En hoe je je voelt na het concert, waarin het uiteindelijk allemaal goed gaat. En misschien is er dan na enige tijd het mensenbrein dat kan constateren dat het één misschien niet gelukt zou zijn zonder het ander.
Emotionele verbinding in de kudde
Bij een koor als het langst bestaande mannenkoor van Nederland komt het vooral aan op de fraaiheid van de klank, op tonen die kunnen ontroeren, vrolijk maken of juist droevig. De magie van het zingen ervaren wij met name bij de concerten, doordat alle zangers dan extra geconcentreerd zijn. Ik heb dan het idee dat we allemaal met een soort touwtje vastzitten aan de handen van de dirigent en ons daaraan overgeven en door de emotionele verbinding die we dan met het publiek creëren. Alle individuen smelten samen tot één geheel en maken zelfs koor en publiek tot één grote groep, een tijdelijke kudde, zoals hier, tijdens ons concert op 13 november 2022:
Hormoon oxytocine: sociale lijm
Samen zingen leidt tot de productie van oxytocine, ook wel het knuffelhormoon genaamd, maar dat geldt niet alleen voor het zingen. Het geldt voor alle sociale interacties die als aangenaam worden ervaren. Een groep die bij elkaar is en het fijn heeft produceert een gevoel bij alle leden dat er toe leidt dat het verband in stand blijft en dat is precies wat in de natuur moet gebeuren om ervoor te zorgen dat een kudde bijeen blijft en overleeft. Het oxytocinegehalte neemt toe naarmate je ouder wordt; dus zingen in een groep van oudere mannen: dat is dubbel feest (dat geldt uiteraard ook voor vrouwen). Later meer over oxytocine en andere hormonen.
Naar de bar met het reptielenbrein
De werking van het oudste deel van het brein, het reptielenbrein, doet zijn werk vooral na afloop van de repetities. Dan is er grote drukte bij de bar. Van het zingen kun je dorst krijgen en een lekker broodje ei met osseworst, een tosti of een gehaktbal gaat er goed in bij de mannen. De behoefte daaraan wordt onmiddellijk duidelijk nadat de dirigent het einde van de repetitie heeft aangekondigd. Het reptielenbrein gaat dan direct, zonder dat je er om hebt gevraagd, aan het werk. Het “tot volgende week” van de dirigent brengt al lichamelijke reacties teweeg als voorbereiding op het consumeren en verteren. En je gaat vanzelf naar de bar, die gelukkig in onze zaal staat opgesteld en waar je altijd fijn wordt geholpen.
Het mensenbrein is in veel gevallen in staat om de primaire reacties te laten passeren en sommige mannen gaan daarom meteen na de repetitie naar huis (“Morgen moeten we op ons kleinkind oppassen”), anderen blijven zolang het maar mogelijk is. Het is mij ook wel eens overkomen dat ik pas na 4 uur ’s ochtends naar huis ging, omdat ik in het geheel geen impuls had om dat eerder te doen. En als mij een glaasje bier of wijn in de hand wordt gedrukt zal ik dat nooit weigeren. En als we in “de derde helft” bij elkaar gaan zitten is, is dat natuurlijk het werk van het zoogdierenbrein.
Hoe ontwikkeld we ook mogen zijn, het reptielenbrein en het zoogdierenbrein doen altijd hun werk. Zonder die breinen zouden we niets zijn.
1) Paul McLean beschreef al in 1960 “The Triune Brain“; veel later, in 1990, werd het in boekvorm uitgebracht.
Meer artikelen over het waarnemen, de emoties en het denken van de mens vind je op https://dewereldenvanjan.blog
-
3. Teken van leven

OVER ZINTUIGEN EN BEHOEFTEN
Als ik ’s ochtends wil weten of het koud is, kan ik even naar buiten gaan en voelen. Dat doe ik al vele jaren eigenlijk alleen maar op de zaterdagochtend (omdat ik dan toch naar buiten ga om de zaterdagkrant uit de bus te halen, de andere dagen lees ik hem digitaal). Al heel lang heb ik een buitenthermometer waarop ik, met één cijfer achter de komma, in de keuken de temperatuur kan aflezen. Maar wat ik tegenwoordig doe: ik ga op Buienradar kijken. Terwijl die geen meetapparaat in onze tuin heeft staan. En ik wil elke dag wel een paar keer kijken naar de 14-daagse weersvoorspelling. Ik ben een koukleum, dat zal er wel mee te maken hebben.
En dan nog tien keer per dag op nu.nl kijken en ook nog de mails, Facebook en intensief whatsapp-verkeer en ik raak steeds verder verwijderd van de directe ervaring van wat met onze vijf zintuigen (eigenlijk zes, waarover later meer) kan worden waargenomen.
Nog een voorbeeld: je hebt waarschijnlijk een scherm voor je en neemt daarop nu een aantal symbolen waar die woorden vormen. Het geschreven woord staat eigenlijk voor een klank, een klank met een specifieke betekenis. Je neemt mij niet waar, je ziet me niet en je hoort me niet. Indirect, gecodeerd contact dus. (Je zou het waarschijnlijk op zondagochtend ook niet anders willen, maar toch).
Hoe anders is het bij de teek.
De teek: één zintuig, twee functies
Het leven van de teek is eenvoudig en zeer direct. Een Finse gedragswetenschapper, Jacob Baron von Uexküll (1864 – 1944), heeft het leven van de teek bestudeerd. En hij schreef daar het volgende over.
De wereld van een teek is beperkt; hij is (s)tekeblind. Het enige waarop hij reageert is de geur van het vluchtige boterzuur dat wordt uitgescheiden door de huid van een passerend warmbloedig organisme en dat voor ons naar zweet ruikt. De teek zit soms wel maanden lang in een struik te wachten tot hij de geur van een warmbloedig dier ruikt en dan laat hij zich vallen en doet zich tegoed aan het warme bloed; dat is waar teken van leven. Daarnaast moet er natuurlijk gepaard worden en ook daar is het wachten totdat hij met zijn neus een partner ontwaart. De teek zou zijn omgeving dus kunnen beschrijven met twee vragen: ruik ik iets om uit te zuigen en ruik ik iets om te paren.
Dat is nog eens overzichtelijk. Wij hebben ons daarentegen zodanig ontwikkeld als mens dat we meer behoeften hebben dan alleen maar overleven en doen wat onze natuur ons opdraagt om er voor te zorgen dat de soort in stand blijft. In de “behoeftepiramide van Maslow” staat ook de sociale behoefte: we willen graag deel uitmaken van verbanden met soortgenoten (overigens ook door de natuur ingegeven, want voorwaarde voor overleven van de groep), erkenning krijgen en “zelfactualisatie” realiseren. *) Deze behoeften zie je niet terug bij de teek. En wij hebben meer mogelijkheden om waar te nemen; niet één zintuig zoals de teek, maar (tenminste) vijf.
Zintuigen vaak gericht op basisbehoeften
Omdat de bedreiging van het individuele dagelijkse leven in een groot deel van de westerse wereld beperkt is, richt de mens zich meer en meer op het hebben van een aangenaam leven. Maar de honger, inclusief lekkere trek, en dorst en de drang die uiteindelijk de voortplanting als doel heeft, zetten nog steeds een behoorlijk groot stempel op ons bestaan.
Calorieën Ik merk het vaak. Als ik boodschappen doe heb ik meestal een lijstje bij me omdat ik anders ga rondkijken: “Is er nog lekkers?” Maar zelfs mét het lijstje erbij maak ik vaak nog even een kleine omweg langs de gevulde koeken, de (liefst zoetige) tripels en de chocoladerepen die niet op het lijstje stonden. En ik ben niet de enige. Uit een proef bleek dat mensen de plaats in de winkel van een aantal producten het beste konden onthouden naarmate de producten meer calorieën bevatten. En let maar eens op waar je oog nog op valt als je in de rij staat te wachten: lekkere calorieën. Eigenlijk is de hele inrichting van de supermarkten gebaseerd op de meest primaire behoefte van alle dierlijke organismen: eten, calorieën.
Je ziet iets en je wil het Misschien ken je deze situatie: iedereen krijgt een glas wijn of bier in zijn handen, maar je moet nog even wachten totdat de spreker uitgesproken is en er geproost kan worden. Het speeksel kolkt dan al in je mond en het zal mij best wel zijn overkomen dat ik dan stiekem al een slokje nam. Een reactie op primaire behoeften die onmiddellijk bevredigd moeten worden en ook in het pakketje zitten van de laagste diersoorten. Zoals een kikker die onmiddellijk zijn lange tong naar buiten stoot als er een insect langs komt en de teek die direct zijn kaken in het warmbloedige dier steekt waarop hij zich heeft gestort.
En dan is er nog die sex Maar daarover later pas. En dan gaat het over chemie, geuren, mannelijkheid en vrouwelijkheid, verliefdheid, uiterlijkheden, afkortingen, gedrag en normen.
De drie werelden
We leven allemaal onder verschillende omstandigheden. Maar hoe we daar mee omgaan wordt bepaald door wat en hoe we waarnemen, hoe we daar in onze denkwereld mee omgaan en hoe we ons daarbij voelen. Deze drie elementen, en het bewust zijn daarvan, zijn de onderwerpen van De werelden van Jan . . . en alleman.
_____________________________
*) Abraham Maslow presenteerde in 1943 een theorie waarin hij stelde dat de verschillende behoeften van de mens een bepaalde prioriteit kennen waarbij de eerste een voorwaarde is om aan een volgende tegemoet te kunnen komen: 1. Fysieke basisbehoeften (eten, drinken, ademhaling, kleding, onderdak, beweging en seks) 2. Bestaanszekerheid (behoefte aan lichamelijke veiligheid) 3. Sociale behoefte (er bij horen, saamhorigheid, liefde) 4. Erkenning (zelf-imago, reputatie, eigendunk, zelfrespect) 5. Zelfactualisatie (zelfverwezenlijking, doen wat je roeping is)
Foto: pexels-erik-karits-2093459-35062497
Reageren naar Jan: mail naar koetjwm@gmail.com
-
2. Nooit meer dansen in de ochtend
OVER PRIL GEVOELSLEVEN

In het stukje van vorige week ging het over de ongevraagde activiteiten in de denkwereld. Uit de reacties daarop, waarvoor hartelijk dank, bleek veel herkenning. Vandaag iets over de gevoelswereld aan de hand van een paar van mijn vroegste herinneringen.
Het ballonnetje
Ik denk dat het mijn tweede jaar op de kleuterschool was. We hadden een heel leuke juf, een non, een zuster. Elke ochtend als ik de klas binnenkwam pakte ze me bij de hand en gingen we samen een dansje maken. Op een dag zat de jongen naast me met een ballonnetje te spelen op een moment dat dit duidelijk niet de bedoeling was. De zuster was daar boos over, pakte het af en smeet het in de hoek.
Vanaf dat moment, ik zat op de achterste rij, zag ik het ballonnetje steeds liggen en er werd maar geen aandacht aan besteed. Ik dacht dat is iedereen vergeten en toen ben ik van mijn plaats gegaan en heb het ballonnetje in mijn zak gestopt. Toen de middag voorbij was, je voelt hem misschien wel aankomen, vroeg de rechtmatige eigenaar of hij zijn ballonnetje weer terug mocht hebben. Ik voelde mezelf al helemaal ongemakkelijk worden (ik wou zeggen rood worden, maar dat kon ik natuurlijk niet voelen) en moest snel erkennen dat ik het in mijn zak had gestopt. De jongen kreeg zijn ballonnetje terug.
Ik weet niet of mij nog boze woorden zijn toegevoegd door de zuster of dat ze me verwijtend heeft aangekeken, maar ik weet wel dat ik nooit meer een dansje heb gemaakt bij het binnenkomen in de klas. Lag dat aan de zuster? Ik heb lang gedacht van wel. Maar ik vermoed nu dat ik dacht iets onvergeeflijks te hebben gedaan en dat ik mijzelf van schaamte heb teruggetrokken, mezelf onzichtbaar gemaakt, waardoor ik nooit meer uitgenodigd werd te dansen.
En ik weet eigenlijk niet of ze meer dan één keer met mij heeft gedanst. En of ze het met andere kinderen ook wel heeft gedaan. Maar voor mij was duidelijk: ze wou eerst altijd met me dansen en dat maakte me heel blij en na het ballonnetje wil ze niet meer, ze vindt me niet meer lief en leuk en dat is mijn eigen schuld. En misschien heb ik haar daarom ook nooit meer aangekeken en kan ik me van de rest van dat jaar niets meer herinneren. En misschien heb ik daarom nooit (nou, ja, nooit..) iets gestolen; veel te bang op ontdekking. En ben ik eigenlijk sowieso bang om dingen te doen waardoor mensen mij niet meer lief of aardig zullen vinden.
Harde handen
Een paar van mijn oudste herinneringen gaan over mijn broer. Hij is twee jaar ouder dan ik en we sliepen samen op een kamer, de jongenskamer. Toen hij een keer ’s avonds uit de kamer was, heb ik voor de grap de reeds gedeeltelijk gevulde po op zijn hoofdkussen neergezet. Toen hij weer terugkwam en dat zag, aarzelde hij geen moment, pakte de po en gooide de inhoud over mij heen. Ik had daar niet op gerekend, maar ik geloof niet dat ik daar erg mee zat: wie kaatst moet de bal verwachten.
Anders werd het toen ik een keer mijn beklag moest doen bij mijn moeder omdat hij mij geslagen had. Van de klap die ik kreeg kan ik me niets herinneren, maar wel dat ik daarover in de keuken klagend vertelde en dat haar enige reactie was: “Ja, Jan, hij heeft harde handen” en dat zij daarna gewoon verder ging met wat ze aan het doen was. Ik moest het dus zelf maar uitzoeken en dat heb ik gedaan door elke confrontatie met mijn broer verder te vermijden, hem geen aanleiding te geven mij weer te slaan; dus een veilige afstand in acht nemen en vriendelijk blijven om pijn te voorkomen. En dat heb ik lang vol gehouden, het werd ook op school en op straat mijn strategie. Ik heb in mijn leven nooit gevochten; in fysieke zijn dan.
Emotionele leermomenten
Tijdens heftige emoties, zeker in je vroege jaren, kun je conclusies trekken voor je toekomstige houding en gedrag. Die kunnen je hele leven verder bepalen. Terwijl je dat doet op basis van de waarnemingen en veronderstellingen van dat moment. En die niet correct en niet volledig hoeven te zijn en ook niet blijvend. Je hebt wat geleerd, maar is die kennis nog actueel? En passend bij de huidige situatie?
Gisteren dacht ik nog opeens aan een situatie op de middelbare school waar twee klasgenoten die in de klas achter mij zaten (met één van hun was ik zelfs bevriend) wat tikken aan het uitdelen waren aan mij en mijn buurman. Ik heb daarop toen niet gereageerd, en nu, zestig jaar later, word ik alsnog boos, vooral op die vriend, en denk ik dat ik nu wel teruggemept zou hebben, ondanks de artrose in mijn handen.
Mijn broer heeft me de laatste zeventig jaar niet geslagen, die afstand is dus niet meer nodig. En ik accepteer gemakkelijker dat ik fouten maak en dat ik me dan niet onzichtbaar hoef te maken. Maar het duurt soms lang voordat je dat soort dingen in de gaten hebt.
Foto: Theresiaschool, Da Costakade Amsterdam, uit Stadsarchief Amsterdam, bewerkt door Johan Leo Koet
Reageren naar Jan: mail naar koetjwm@gmail.com
Reacties die je hieronder invult kunnen voor andere lezers zichtbaar worden.
-
1. Spiky

OVER BLAFFENDE HONDEN EN OPDRINGERIGE GEDACHTEN
Mijn geliefde en onze jongste dochter hadden op een gegeven moment samen een hobby gekregen: paardrijden. Omdat onze zoon, de tweelingbroer van mijn jongste dochter, van honden hield (althans, hij had een hondenposter op zijn kamer), kwam er voor hem een hond. Hij heeft hem zelf uitgezocht en het werd Spiky.
Spiky was een ontzettend leuke hond, een Friese stabij. En wat er wel over dat ras wordt gezegd dat klopte ook: zeer eigenwijs. Op de hondentraining die ik met Spiky heb gedaan vonden ze ons samen erg leuk, vooral omdat ik hem steeds van de andere kant van het veld moest ophalen omdat hij een ander, schattig, hondje in de gaten had gekregen.
Niet veel later zaten we met onze handen in het haar, Spiky bleef maar tegen iedereen blaffen, op straat en achter het huiskamerraam, en als hij naast mijn fiets meerende wilde hij ook nog wel eens happen naar niets vermoedende medeweggebruikers als ik die passeerde.
De baas worden van de hond
De oplossing werd gevonden door een hondentrainster bij ons uit te nodigen. Ze kwam binnen, bleef in de deuropening staan, en keek met strakke blik Spiky aan, die zoals altijd ging blaffen. Maar dat duurde niet lang, hij kroop steeds verder naar achteren en op een gegeven moment hield hij op met blaffen. Deze vrouw had een aantal stelregels die uitermate effectief waren. Met die stelregels werd de hondentrainster, en later wij ook een beetje, de baas van de hond.
Gedachten de baas
Toen ik me wat ging verdiepen in zaken als bewustzijn, gedachten en emoties moest ik plotseling weer aan de lessen denken van de hondentrainster. De hond blaft voortdurend om me misschien voor iets te waarschuwen wat niet nodig is. Gedachten bereiken mij de hele dag door. Ook die gedachten lijken mij te waarschuwen voor weet ik veel wat. Alsmaar gewaarschuwd worden door een blaffende hond of door middel van je gedachten geattendeerd te worden op iets wat al gebeurd is of iets dat kan gebeuren, iets dat je te pakken moet zien te krijgen of juist niet vind ik storend. Misschien denk je bij een hond: dat hoort erbij en bij je zelf dat je nu eenmaal zo in elkaar zit. Maar zowel de hond als je gedachten kunnen misschien wel wat leiding gebruiken.
Dienende rol
Onze vaardigheid om te denken is er om ons te dienen. De hondentrainster keek zo ook naar de hond. Als hond of hoofd te veel ruimte krijgen en voortdurend aandacht vragen, moet er iets gebeuren. Dat is uiteindelijk beter voor de hond én voor je hoofd. De hondentrainster had het in een uur of twee voor elkaar met Spiky. Voor de mens is het een stuk lastiger om het idee te krijgen de baas te zijn over zijn denken.
Wij hebben met onze denkcapaciteit een fantastisch hulpmiddel tot onze beschikking. Dat weten we ook goed te gebruiken als we voor een concrete vraag staan, bijvoorbeeld als je een berekening wil maken van de uitgaven die je de rest van de maand nog te wachten staan of als je je vakantiereis gaat plannen. Maar je zult merken dat als je niet met een concrete, gerichte denkactie bezig bent, je gedachtenstroom toch kan doorgaan met denkacties waar je niet om hebt gevraagd. Zoals de hond die voortdurend vanachter het raam naar iedereen blaft, ook als ze geen brief in de brievenbus doen.
Ik denk
Ik denk dat we onze denkcapaciteit gerichter kunnen inzetten en kunnen leren de opdringerige gedachten wat meer naar de achtergrond te schuiven. Dan ontstaat er ook meer ruimte voor zorgeloos genieten van de dingen die zich daarvoor lenen. Dingen die altijd wel voorhanden zijn.
Ik denk dat ik bijna altijd denk. Ik ben het denken dus meestal niet de baas. Maar er wordt aan gewerkt. In latere blogs zal ik beschrijven welke mogelijkheden er zijn om de knop af en toe uit te zetten of het volume wat te dempen en wat mijn ervaringen daarmee zijn. En daarbij kom ik ook nog wel even terug op de lessen van de hondentrainster.